Verzoeker kreeg zijn rijbewijs met code 103 opgelegd na deelname aan een alcoholslotprogramma. Het CBR verklaarde het rijbewijs ongeldig wegens vier foutieve hertesten, waaronder een op 24 februari 2016. Verzoeker betwistte deze laatste hertest en bood bewijs aan dat hij op dat tijdstip bij de tandarts was, maar het CBR deed onvoldoende onderzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte en dat het besluit tot ongeldigverklaring onevenredige gevolgen heeft, omdat verzoeker financieel niet in staat is opnieuw het alcoholslotprogramma te volgen. Dit zou leiden tot een rijbewijsverlies van vijf jaar en verlies van werk.
Daarom werd het besluit geschorst en het CBR opgedragen binnen een week te zorgen dat verzoeker zonder beperkingen over een rijbewijs kan beschikken tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het CBR veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van maatregelen die grote gevolgen hebben voor de betrokkene.