Eiseressen, mosselzaadvissers met vergunningen voor het gebruik van mosselzaadinvanginstallaties (MZI), stelden dat zij onvoldoende gecompenseerd werden voor hun investeringen en dat zij als pioniers moesten worden erkend. De rechtbank stelde vast dat een juiste inventarisatie van het eigendom op 1 oktober 2004 ontbrak en dat de economische belangen niet gelijk zijn aan de investeringen. Hierdoor was geen compensatie op basis van het Europees Verdrag mogelijk.
De rechtbank oordeelde dat eiseressen in de pionierfase vóór 1 oktober 2004 geen eigendom in de zin van het Europees Verdrag hadden opgebouwd, omdat zij geen bedrijfseconomisch rendabele investeringen hadden gedaan. De generieke overgangstermijn van zes jaar werd als buitenwettelijk begunstigend beleid beoordeeld, maar voldoende geacht voor compensatie in de experimenteerfase.
Verder werd geoordeeld dat het onderscheid tussen eiseressen en West 6 B.V. gerechtvaardigd was, omdat alleen West 6 B.V. als pionier kon worden aangemerkt. De toegewezen oppervlakte voor MZI-gebruik werd als redelijk beoordeeld. De bestreden besluiten werden vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.