Belanghebbende, een dierenarts en maat in een maatschap, investeerde in 2013 zowel in de maatschap als buitenvennootschappelijk in een personenauto. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met een KIA van €10.085, terwijl belanghebbende stelde recht te hebben op de maximale KIA van €15.470.
De rechtbank beoordeelde de toepassing van artikel 3.41 van de Wet IB 2001 en de wetsgeschiedenis, waarin is bepaald dat investeringen binnen een samenwerkingsverband en buitenvennootschappelijke investeringen moeten worden samengevoegd voor de berekening van de KIA. De totale investering bedroeg €97.032, waaruit volgt dat de KIA €15.470 bedraagt. De aan belanghebbende toe te rekenen investering was €63.268, waarop het percentage van 15,94% werd toegepast, resulterend in een KIA van €10.085.
De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat hij recht had op de maximale KIA, omdat dit tot een bevoordeling van samenwerkingsverbanden zou leiden, wat de wetgever wilde voorkomen. Gezien een rekenfout in de navorderingsaanslag verklaarde de rechtbank de beroepen gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en verminderde de aanslag en belastingrente overeenkomstig.
Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €992 en het betaalde griffierecht van €45 aan belanghebbende.