Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2012 gehuwd en woonde samen met haar echtgenoot en drie kinderen op hetzelfde adres. Haar echtgenoot was sinds 2011 gedetineerd in Turkije, maar stond nog ingeschreven op hetzelfde woonadres. Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting 2012 en maakte aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande-ouderkorting. De inspecteur wees dit af en handhaafde de aanslag.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende fiscaal gezien een partner had omdat zij gehuwd was, beiden op hetzelfde adres stonden ingeschreven en er geen verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed was ingediend. Hierdoor was zij niet gerechtigd tot genoemde kortingen. De detentie van de echtgenoot deed hier niet aan af, ook niet gezien de wettelijke bepalingen omtrent fiscale partnerschap.
Belanghebbende voerde nog aan dat andere overheidsinstanties haar als alleenstaand beschouwden en dat haar culturele achtergrond belemmeringen gaf bij het uitschrijven van haar echtgenoot. De rechtbank oordeelde dat zij recht moet spreken op basis van de wet en dat onbillijkheden via de hardheidsclausule bij de Staatssecretaris van Financiën moeten worden ingediend.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en alleenstaande-ouderkorting omdat zij fiscaal partner was van haar gedetineerde echtgenoot.