Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2012 gehuwd en zijn echtgenote vertrok in april 2012 naar een ander adres. Hun minderjarige dochter bleef bij belanghebbende wonen. Pas in december 2012 dienden zij een verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank.
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 de alleenstaande ouderkorting en aanvullende alleenstaande ouderkorting opgevoerd. De inspecteur corrigeerde deze kortingen bij de aanslag. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 5a AWR pas vanaf het moment van het verzoek tot echtscheiding in december 2012 sprake is van het ontbreken van een partner. Hierdoor komt belanghebbende niet in aanmerking voor de alleenstaande ouderkorting over 2012. Het feit dat zijn echtgenote eerder vertrok en hij de zorg voor het kind had, leidt niet tot een ander oordeel. Bovendien was de aanvullende alleenstaande ouderkorting in 2012 afgeschaft.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag zoals vastgesteld door de inspecteur.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbende pas vanaf december 2012 geen partner had en daardoor geen recht op alleenstaande ouderkorting bestaat.