Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft BPM betaald voor een Porsche 997 Carrera en maakte later bezwaar tegen deze belastingaanslag. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende voerde aan dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat de belasting in strijd met het Unierecht zou zijn geheven.
De rechtbank oordeelt dat nationale procedureregels, zoals bezwaartermijnen, ook bij in strijd met Unierecht geheven belastingen van toepassing blijven. De conclusie van advocaat-generaal N. Jääskinen in de zaak C-69/14 leidt niet tot een ander oordeel. Het Unierecht verplicht nationale rechters niet om nationale procedureregels buiten toepassing te laten, ook al zou dat een schending van het Unierecht opheffen.
De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2003, waarin is geoordeeld dat bezwaar- en beroepstermijnen de uitoefening van Unierechtelijke rechten niet onmogelijk mogen maken. Omdat belanghebbende geen andere gronden heeft gesteld die het verzuim redelijkerwijs zouden kunnen verontschuldigen, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de inspecteur te verplichten belanghebbende te horen in de bezwaarfase. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de bezwaartermijn niet verschoonbaar is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.