Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteert een manege waar ongeveer 100 paarden worden gehouden, maar waarbij geen paarden worden gefokt. Op 23 december 2011 heeft belanghebbende diverse onroerende zaken verkregen, waaronder grasland dat wordt gebruikt voor het laten grazen van paarden. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de cultuurgrondvrijstelling van de overdrachtsbelasting voor dit grasland.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd omdat hij van mening is dat de vrijstelling niet van toepassing is. De rechtbank heeft onderzocht of het grasland onder de cultuurgrondvrijstelling valt, waarbij het geschil zich richt op de vraag of de manege kan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf.
De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad (BNB 2015/47) waarin is bepaald dat voor de cultuurgrondvrijstelling de exploitatie van de cultuurgrond moet plaatsvinden ten dienste van een landbouwbedrijf zoals bedoeld in artikel 7:312 BW Pro. Omdat belanghebbende geen paarden fokt en de manege zich richt op paardrijlessen en pensionstalling, kwalificeert het bedrijf niet als landbouwbedrijf. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard.