In de strafzaak tegen verzoeker werd op 10 november 2014 een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie rechters van de meervoudige strafkamer. Het verzoek was gebaseerd op de weigering van de rechters om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek tot aanhouding van de zaak af te wijzen, waardoor verzoeker niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het criterium dat een rechter onpartijdig moet worden vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De kamer oordeelde dat de beslissing van de rechters een procedurele afweging betrof, waarbij belangen zoals het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een spoedige berechting zijn meegewogen.
De kamer vond dat de beslissing niet zo onbegrijpelijk was dat deze alleen door vooringenomenheid kon worden verklaard. De beweringen van verzoeker dat de rechters op vermoedens handelden of hun eigen agenda wilden handhaven, waren onvoldoende onderbouwd. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en de strafzaak voortgezet.