Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Met betrekking tot de procedure 14/2750:
1.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag H.97;
- vernietigt de navorderingsaanslagen W.97 en H.97 en de beschikkingen heffingsrente;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 9.521,50;
- stelt de op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurde dwangsom vast op € 2.520;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 5.000;
2.Gronden
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het derde lid van artikel 4:17 Awb Pro bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvragen een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;