Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft een nieuwe personenauto uit het buitenland ter keuring aangeboden bij de RDW en vervolgens een BPM-aangifte gedaan met een CO2-uitstoot van 145 gram per kilometer. De RDW vermeldde echter een uitstoot van 165 gram per kilometer op het keuringsformulier. De inspecteur legde daarom een naheffingsaanslag BPM op wegens een te lage opgegeven CO2-uitstoot.
Belanghebbende voerde aan dat de auto was voorzien van een chip die de CO2-uitstoot verlaagde, maar kon dit niet meer bewijzen omdat de auto inmiddels was doorverkocht. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor een afwijkende CO2-uitstoot bij belanghebbende ligt en dat deze niet aannemelijk had gemaakt dat de lagere uitstoot juist was.
De rechtbank stelde vast dat noch de RDW noch de inspecteur verplicht zijn om zelfstandig de CO2-uitstoot te meten bij de keuring of aangifte, en dat de inspecteur terecht was uitgegaan van de RDW-gegevens uit het EUCARIS-systeem. Ook het bezwaar tegen de hoogte van de belastingrente en de termijn van oplegging van de naheffingsaanslag werd verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wegens te lage opgegeven CO2-uitstoot wordt ongegrond verklaard.