Eiser startte in juni 2012 een schuldhulpverleningstraject bij de gemeente Tilburg. Het college beëindigde dit traject op 6 mei 2013 vanwege vermeende fraude, het ontstaan van nieuwe schulden en schending van de inlichtingenplicht. Eiser betwistte de fraude en stelde geen inkomsten te hebben ontvangen uit werkzaamheden waarvoor hij geen melding had gedaan.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot beëindiging een bestuursrechtelijk besluit is en dat het college het besluit rechtsgeldig heeft bekrachtigd. De grondslag voor beëindiging wegens fraude faalde omdat het beleidsregelartikel alleen ziet op afwijzing, niet beëindiging.
Wel stelde de rechtbank vast dat er sprake was van nieuwe schulden door terugvordering van de WWB-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht, een besluit dat onherroepelijk was geworden. Daarnaast had eiser nagelaten inkomsten uit werkzaamheden te melden, wat ook een schending van de inlichtingenplicht vormt.
De rechtbank verwierp het beroep op de hardheidsclausule omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het college had derhalve terecht het schuldhulpverleningstraject beëindigd en het beroep werd ongegrond verklaard.