ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3277
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor niet betaalde vennootschapsbelasting na zetelverplaatsing BV
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een BV die haar zetel in 2002 naar de Verenigde Staten verplaatste, werd aansprakelijk gesteld voor een niet betaalde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en de daarbij behorende invorderingsrente. De BV had de belasting niet voldaan na de vrijval van de herinvesteringsreserve (HIR) door de zetelverplaatsing.
De rechtbank onderzocht of de vaststellingsovereenkomst waarin de zetelverplaatsing en de belastingaanslag waren geregeld, nietig of vernietigbaar was. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet in strijd was met de wet of het belastingverdrag met de VS en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van dwaling bij ondertekening.
Verder stelde de rechtbank vast dat belanghebbende als bestuurder verwijtbaar had gehandeld door geen betalingsregeling te treffen en onvoldoende te doen tegen de niet-naleving van verplichtingen door een Amerikaanse vennootschap, waardoor hij aansprakelijk kon worden gehouden voor de belastingschuld. De aansprakelijkheid voor de invorderingsrente werd echter vernietigd omdat de ontvanger hiervoor geen bewijs had geleverd.
De rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en beperkte de aansprakelijkheid tot het bedrag van de navorderingsaanslag zonder invorderingsrente. De ontvanger werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Bestuurder aansprakelijk voor vennootschapsbelasting van € 267.673, aansprakelijkheid voor invorderingsrente vernietigd.