ECLI:NL:RBZWB:2013:CA2417
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van bezwaar tegen voorlopige aanslag inkomstenbelasting
De inspecteur legde aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2010 op. Naar aanleiding van een ingediende aangifte volgde een nieuwe voorlopige aanslag. De gemachtigde van belanghebbende diende een brief in die door de inspecteur werd aangemerkt als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag, hoewel de gemachtigde dit als een bezwaarschrift beschouwde.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 9.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar is. Hierdoor kon de brief van 16 juli 2012 niet als bezwaarschrift worden aangemerkt maar slechts als een verzoek om herziening. De inspecteur had vervolgens een brief gestuurd waarin werd uitgelegd waarom geen vergoeding van proceskosten kon worden toegekend.
Omdat tegen deze brief geen beroep kan worden ingesteld op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 8 april 2013 gedaan door rechter W.A.P. van Roij.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de brief van de inspecteur geen beroep mogelijk is.