Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, actief als bemiddelaar bij de verkoop van vennootschappen en onroerende zaken in 2007, heeft geen administratie bijgehouden en kon niet achterhalen hoeveel vennootschappen hij verkocht. Hij deed op 7 februari 2009 aangifte inkomstenbelasting over 2007 met een netto resultaat uit overige werkzaamheden van €24.000. De inspecteur stelde vragen over het gebruikelijk loon en het resultaat, maar belanghebbende verstrekte geen nadere informatie ondanks herinneringen en waarschuwingen.
De inspecteur legde op 24 december 2010 een aanslag op van €78.000, gebaseerd op een gebruikelijk loon en resultaat uit overige werkzaamheden van elk €39.000. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 47 AWR Pro, waardoor de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat hoewel de sanctie per 1 juli 2011 is gewijzigd, deze ook van toepassing is op feiten en aanslagen van vóór die datum. Belanghebbende slaagt er niet in aan te tonen dat de aanslag onjuist is. De inspecteur heeft de aanslag in redelijkheid vastgesteld gezien het ontbreken van nadere informatie. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2007 blijft in stand.