ECLI:NL:RBZUT:2010:BQ0980
Rechtbank Zutphen
- Kort geding
- G. Vrieze
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst door borgstelling en vertegenwoordigingsbevoegdheid ouders
Eiser huurde een gemeubileerde woning van gedaagde voor 12 maanden vanaf 1 juli 2010. De ouders van eiser hadden zich borg gesteld en waren aanwezig bij het sluiten van de huurovereenkomst. Na een incident op 18 juli 2010 verving gedaagde de sloten en beëindigde zij de huurovereenkomst. De ouders van eiser verklaarden schriftelijk namens hem de huurovereenkomst te ontbinden en haalden zijn spullen weg.
Eiser stelde dat hij niet had ingestemd met beëindiging en betwistte dat zijn ouders hem mochten vertegenwoordigen. Gedaagde stelde dat de ouders als gemachtigden hadden gehandeld en dat er geen sprake was van eigenrichting. De rechtbank onderzocht het toedoenbeginsel en toerekeningsbeginsel uit artikel 3:61 BW Pro en recente jurisprudentie, waarbij bescherming van het vertrouwen van gedaagde centraal stond.
De rechtbank concludeerde dat gedaagde redelijkerwijs mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ouders van eiser, mede vanwege hun borgstelling, aanwezigheid bij de huurovereenkomst en de correspondentie na het incident. Hierdoor was de huurovereenkomst per 1 augustus 2010 met wederzijdse instemming geëindigd. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst is met wederzijdse instemming via de ouders van eiser beëindigd, waardoor de vorderingen van eiser worden afgewezen.