ECLI:NL:RBZUT:2010:BQ0424
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling erfdeel uit nalatenschap na onduidelijkheid over aanvaarding
De zaak betreft een vordering van eiseres tot betaling van een erfdeel van € 11.512,09 uit de nalatenschap van haar schoonmoeder, na het overlijden van haar echtgenoot, de zoon van de nalatenschap. Gedaagde, de dochter van de overledene, betwist de zuivere aanvaarding van de nalatenschap en stelt dat ook kleinkinderen erfgenamen zijn die betrokken hadden moeten worden. Tevens voert zij aan dat de nalatenschap een negatief saldo kende en dat de vordering reeds voldaan zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat de kleinkinderen de nalatenschap van hun vader hebben verworpen, maar dat onduidelijk is of zij de nalatenschap van de moeder hebben aanvaard of verworpen. De wettelijke regels bepalen dat erfgenamen ieder voor hun erfdeel aansprakelijk zijn voor schulden van de erflater. Daarom is eiseres ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde, maar de procedure kan zich slechts richten op het deel dat overeenkomt met het erfdeel van gedaagde.
De rechtbank geeft eiseres de gelegenheid om nader aan te geven welke erfgenamen de nalatenschap hebben aanvaard of verworpen, waarna gedaagde hierop kan reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden en de zaak wordt op een latere datum voortgezet.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft partijen gelegenheid nadere stukken over aanvaarding of verwerping van de nalatenschap te overleggen.