ECLI:NL:RBZUT:2010:BP7432
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens ontbreken aanvaarding nalatenschap door gedaagde
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of gedaagde de nalatenschap van zijn moeder had aanvaard, hetgeen eiseres betwistte en waarop zij een vordering baseerde.
Eiseres overlegde verklaringen van kleinkinderen waarin sprake was van beneficiaire aanvaarding, maar deze waren niet conform artikel 4:191 BW Pro ter griffie afgelegd en dus niet rechtsgeldig. Gedaagde erkende wel uitvaartkosten te hebben voldaan, deels uit eigen middelen, maar betwistte dat dit leidde tot aanvaarding van de nalatenschap.
De rechtbank oordeelde dat het voldoen van uitvaartkosten binnen drie maanden na overlijden onder beheersdaden valt en niet duidt op zuivere aanvaarding. Eiseres had onvoldoende concreet gesteld dat gedaagde zich als zuiver aanvaardend erfgenaam had gedragen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat gedaagde de nalatenschap had aanvaard.
De vordering van eiseres werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. M. Engelbert-Clarenbeek op 22 december 2010.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld dat gedaagde de nalatenschap heeft aanvaard.