ECLI:NL:RBZUT:2006:AV1849
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen erfdienstbaarheid van uitweg door verjaring; noodweg aangewezen en gebruik moet worden geduld
In deze zaak stond centraal of over een zandweg een erfdienstbaarheid van uitweg was ontstaan door verkrijgende verjaring en of er sprake was van een noodweg. Eiser vorderde primair de verklaring dat een erfdienstbaarheid van uitweg bestond over het perceel van gedaagde, subsidiair dat een noodweg was aangewezen. Gedaagde betwistte dit en vorderde ontbinding van het recht van uitweg.
De rechtbank stelde vast dat onder het vóór 1992 geldende recht geen erfdienstbaarheid door verjaring kon ontstaan zonder inschrijving in de openbare registers. Aangezien geen inschrijving bestond en eiser zich in 1993 niet als bezitter van een erfdienstbaarheid beschouwde, kon geen verkrijgende verjaring worden aangenomen. De primaire vordering werd daarom afgewezen.
Wel oordeelde de rechtbank dat stilzwijgend door de rechthebbenden een noodweg was aangewezen over het tracé 1, de zandweg, die noodzakelijk was voor de ontsluiting van het ingesloten perceel van eiser. De alternatieve tracés 2 en 3 waren onvoldoende als behoorlijke toegang. Gedaagde werd veroordeeld om het gebruik van deze noodweg te dulden en mocht deze niet belemmeren. Tevens werden dwangsommen opgelegd bij overtreding. De vorderingen van gedaagde tot ontzegging van het gebruik werden afgewezen.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van een vergoeding en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens de verklaring voor recht.
Uitkomst: Geen erfdienstbaarheid door verjaring, maar stilzwijgend noodweg aangewezen die gebruik moet worden geduld en gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding en verbod op belemmering.