ECLI:NL:RBZUT:2002:AE1696
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aansprakelijkheid feitelijke bestuurders voor belastingschulden vennootschap
De zaak betreft een vordering van de Belastingdienst tegen de Beleggingsmaatschappij en een natuurlijk persoon ([gedaagde 2]) die als vermeende feitelijke bestuurders van de vennootschap [A bv] werden aangemerkt. De vennootschap was failliet verklaard en had diverse naheffingsaanslagen niet betaald. De Belastingdienst stelde hen hoofdelijk aansprakelijk op grond van de Invorderingswet 1990 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen.
De rechtbank onderzocht of de gedaagden als feitelijke bestuurders konden worden beschouwd, hetgeen vereist dat zij het beleid van de vennootschap daadwerkelijk bepaalden of medebepaalden. Uit de feiten bleek dat formeel de kleinzoon en zoon/oom bestuurder waren, terwijl [gedaagde 2] en de Beleggingsmaatschappij aandeelhouder, financier en verhuurder waren, maar geen formele bestuursfunctie hadden sinds 1997. De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat zij feitelijk het bestuur voerden in de relevante periode.
Ook het beroep op onrechtmatig handelen werd afgewezen wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de betrokkenheid als financier en aandeelhouder niet automatisch aansprakelijkheid voor de belastingschulden met zich brengt. De vorderingen van de Belastingdienst werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van feitelijk bestuur en kennelijk onbehoorlijk bestuur.