ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6725
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand en boete wegens onjuiste vermogenswaardering
A, die sinds oktober 1997 een bijstandsuitkering ontving wegens een dwarslaesie, kreeg in april 1998 een immateriële schadevergoeding van f. 112.500,- uitgekeerd. Verweerder rekende hiervan slechts een derde vrij bij de bijstandsverlening en vorderde de bijstand over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 terug, evenals een boete van f. 2300,- wegens vermeende fraude.
De rechtbank oordeelt dat de terugvordering over de genoemde periode onterecht is, omdat de schadevergoeding pas vanaf 20 april 1998 beschikbaar was en niet mede betrekking had op de eerdere periode. Ook de boete is deels gebaseerd op dit onterecht teruggevorderde bedrag en wordt daarom eveneens vernietigd.
Verder wordt geoordeeld dat A tijdig op zijn zwijgrecht is gewezen en dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in de besteding van het schadebedrag, onder meer voor familieschulden en hulp aan zijn broer. De afwijzing van zijn nieuwe bijstandsaanvraag wordt voorlopig niet bevestigd.
De rechtbank wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af, veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten en bepaalt dat verweerder op het bezwaar nader beslist over de vernietigde onderdelen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de terugvordering van bijstand over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 en de opgelegde boete, en bepaalt dat verweerder nader beslist op het bezwaar.