ECLI:NL:RBZLY:2010:BO0975
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak minderjarige verdachte wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs medeplichtigheid moord
De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde de zaak van een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan de moord op een slachtoffer in Urk in november 2009. De verdachte werd ervan beschuldigd het slachtoffer van huis te hebben gehaald, mee te zijn gegaan naar het bos waar het slachtoffer werd gedood, en het niet te hebben gewaarschuwd voor het voornemen van de medeverdachte om het slachtoffer te doden.
Tijdens de zitting werden verklaringen van de verdachte, medeverdachten en familieleden van het slachtoffer betrokken. De officier van justitie stelde dat er geen sprake was van opzet of voorwaardelijk opzet bij de verdachte en dat deze verlamd van angst was, waardoor hij niet kon worden verweten het slachtoffer niet te hebben gewaarschuwd. De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de medeverdachte niet betrouwbaar waren en dat er geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt vanwege het ontbreken van opzet en de verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om medeplichtigheid wettig en overtuigend vast te stellen. De jeugdige leeftijd van de verdachte en het onverwachte karakter van het feit speelden daarbij een rol. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de tenlastelegging van medeplichtigheid aan moord.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer, waarbij de voorzitter tevens kinderrechter was. De zitting vond plaats met gesloten deuren en de uitspraak werd op 19 oktober 2010 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor medeplichtigheid aan moord.