ECLI:NL:RBZLY:2009:BK4762

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
17 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/440032-09
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal van geld van verstandelijk beperkte zus door bewindvoerder

In deze zaak heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad op 17 november 2009 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal van geld van zijn verstandelijk beperkte zus. De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, eiste een taakstraf van 200 uren en een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 32.950,-. De verdachte, die als bewindvoerder over het vermogen van zijn zus fungeerde, had abusievelijk twee keer een bedrag van € 3.100,- ontvangen, terwijl hij slechts recht had op één bedrag. Ondanks dat hij de fout had opgemerkt, heeft hij het teveel ontvangen geld niet geretourneerd. Gedurende zijn bewindvoering heeft hij bovendien aanzienlijke bedragen van de rekening van zijn zus naar zijn eigen rekening overgemaakt.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet overtuigend had aangetoond dat hij de intentie had om het geld terug te betalen, vooral gezien het feit dat een groot deel van het geld niet was gebruikt voor het aflossen van schulden, maar voor luxe-aankopen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van het geld, wat resulteerde in een veroordeling voor verduistering, gepleegd in vereniging.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij, die schade had geleden ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten, toegewezen. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van € 32.950,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast kreeg de verdachte een taakstraf van 120 uren, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis indien hij de taakstraf niet naar behoren verrichtte. De rechtbank hield rekening met het feit dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking was geweest.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnr. : 07.440032-09
Uitspraak: 17 november 2009
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
(verdachte),
geboren op (geboortejaar),
wonende te (adres).
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 04 november 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Ph. J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer.
De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting gevorderd:
- de veroordeling van verdachte terzake het ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis;
- toewijzing in zijn geheel van de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ten belope van € 32.950,-
- toewijzing in zijn geheel van de vordering van de benadeelde partij (naam slachtoffer) te (adres), ten belope van € 32.950,- alsmede de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk op te leggen.
Bij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij verzoekt de officier van justitie de rechtbank de vordering ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontvankelijk te verklaren.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging, zoals ter terechtzitting gewijzigd).
BEWIJS
De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad zich wederrechtelijk geld toe te eigenen.
De rechtbank overweegt het volgende:
De rechtbank stelt vast dat in 2004, toen tijdelijk niet verdachte maar zijn zus (naam zus) bewindvoerder was over het vermogen van zijn verstandelijk beperkte zus (naam slachtoffer), abusievelijk twee maal een bedrag van € 3.100,- naar verdachte overgemaakt, terwijl verdachte – uit hoofde van een lening – slechts recht had op één maal dat bedrag. Verdachte heeft de fout opgemerkt maar heeft het teveel ontvangen geld desondanks niet geretourneerd.
Voorts heeft verdachte gedurende de periode dat hij (opnieuw) optrad als bewindvoerder over het vermogen van zijn zus, vele malen aanzienlijke geldbedragen van de rekening van zijn zus naar zijn eigen rekening over laten schrijven. Verdachte heeft wel zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij altijd de intentie heeft gehad zowel het abusievelijk ontvangen geldbedrag als de door hem opgenomen geldbedragen terug te betalen, doch dat hij daaraan als gevolg van zijn slechte financiële positie en de daarmee samenhangende BKR-registratie tot dusverre slechts ten dele was toegekomen. De rechtbank volgt dat standpunt evenwel niet. Duidelijk is dat verdachte sedert circa 2002 als gevolg van een faillissement in moeilijke financiële omstandigheden verkeert en zich geplaatst ziet voor een aanzienlijke schuldenlast. Gelet echter op het feit dat een belangrijk deel van het door verdachte opgenomen geld, anders dan door verdachte is verklaard, niet is besteed aan het aflossen van schulden maar aan de aanschaf van luxe-artikelen, en gelet op de omstandigheid dat verdachte niet bij benadering wist hoe hoog het bedrag dat hij aan de rekening van zijn zus had onttrokken, inmiddels was opgelopen, is de rechtbank niet overtuigd van de reële intentie van verdachte om het geld terug te betalen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte, in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van het geld.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
Hij op verschillende tijdstippen in (1) de periode van 26 april 2004 tot en met 22 augustus 2006 en (2) de periode van 23 augustus 2006 tot en met 11 juli 2008 in de gemeente Raalte, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk geldbedragen (in totaal 32.950 euro), welke toebehoorden aan (naam slachtoffer), en die verdachte onder zich had (1) omdat de toenmalige bewindvoerster (naam zus) (abusievelijk) de bank twee maal een bankoverschrijving (ad 3100 euro) liet uitvoeren (terwijl door de kantonrechter bij beschikking van 29 maart 2004 machtiging was verleend om een geldleningsovereenkomst aan te gaan voor een hoofdsom van 3100 euro) en (2) in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en rekeninghouder, in elk geval (tekens) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.
STRAFBAARHEID
Het bewezene levert op:
Verduistering, deels gepleegd door hem wie het goed als bewindvoerder onder zich heeft, in vereniging gepleegd,
strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 321 en 323 van het Wetboek van Strafrecht.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.
OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 05 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam slachtoffer) te (adres) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.
De hoogte van die schade is, gelet op het ingediende voegingsformulier, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 32.950,-, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.
BESLISSING
Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.
De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren.
De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .
Van de taakstraf zal een gedeelte, groot 60 uren, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (naam slachtoffer), wonende te (adres), van een bedrag van € 32.950,- (zegge: tweeëndertigduizendnegenhonderdenvijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten vanaf 24 april 2004, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Aldus gewezen door mr. R.A.M. Elbers, voorzitter, mrs. E.W. Akkerman en L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2009.