ECLI:NL:RBZLY:2009:BH4448

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 08/1802
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WmoArt. 41 lid 3 WmoAwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op uitruil persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp na overheveling AWBZ naar Wmo

Eiseres, een 68-jarige vrouw met diverse medische beperkingen, was op grond van een AWBZ-indicatie tot 16 maart 2010 aangewezen op 6,5 uur huishoudelijke verzorging per week. Haar echtgenoot verleende mantelzorg in de vorm van persoonlijke verzorging, waarbij gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid tot uitruil van functies tussen persoonlijke verzorging en huishoudelijke verzorging.

Met de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 werd huishoudelijke verzorging overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo, waardoor uitruil tussen deze functies niet langer mogelijk is. Na een heronderzoek door een medisch adviseur werd geconcludeerd dat de echtgenoot van eiseres in staat is het huishoudelijk werk te doen, behalve de zware taken, en werd eiseres per 1 juli 2008 voor 3 uur per week huishoudelijke hulp toegekend.

Eiseres betoogde dat haar echtgenoot wegens zijn beperkingen niet in staat is het huishoudelijk werk te verrichten en dat de vermindering van uren zou leiden tot problemen bij haar echtgenoot. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende met medische gegevens waren onderbouwd en dat de parlementaire geschiedenis bevestigt dat uitruil niet meer mogelijk is onder de Wmo.

De rechtbank concludeerde dat het feit dat de echtgenoot bijdraagt aan persoonlijke verzorging niet kan leiden tot toekenning van huishoudelijke hulp via uitruil en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat uitruil tussen persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp niet meer mogelijk is onder de Wmo.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer
Registratienummer: Awb 08/1802 Wmo
Uitspraak
in het geding tussen:
A te B
eiseres,
gemachtigde: mr. R.F.E. Frommé
en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte,
verweerder.
1.Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2008, verzonden op 12 juni 2008, heeft verweerder eiseres per 1 juli 2008 voor 3 uur per week in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Tegen dit besluit is op 24 juni 2008 namens eiseres een bezwaarschrift ingediend.
Op 12 augustus 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 3 september 2008 heeft verweerder het bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 19 augustus 2008, ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit is op 10 oktober 2008 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is ter zitting van 21 januari 2009 behandeld. Eiseres is in persoon noch bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J.M. Pouw.
2.Overwegingen
Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder eiseres terecht per 1 juli 2008 voor 3 uur per week in aanmerking heeft gebracht voor hulp bij het huishouden.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres is een 68-jarige vrouw, die bekend is met medische problematiek ten aanzien van het houdings- en bewegingsapparaat, het hart- en vaatstelsel, het zenuwstelsel en de inwendige organen. Bij de echtgenoot van eiseres is sprake van rugklachten en hartproblematiek. Ten behoeve van eiseres is ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tot 16 maart 2010 een indicatiebesluit afgegeven voor huishoudelijke verzorging voor 6 uur en 30 minuten per week. Omdat de echtgenoot van eiseres mantelzorg aan haar verleent in de vorm van persoonlijke verzorging is daarbij gebruik gemaakt van de mogelijkheid van uitruil.
Op 1 januari 2007 is de Wmo in werking getreden. Op grond van artikel 41, derde lid, van de Wmo bleven de rechten en verplichtingen die golden op 1 januari 2007 gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van de Wmo. Hieruit volgt dat de Wmo per 1 januari 2008 op eiseres van toepassing is.
Naar aanleiding van een heronderzoek op initiatief van verweerder heeft G.J.H. Spijker, arts en als medisch adviseur verbonden aan TriviumPlus, een huisbezoek afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in een op 15 mei 2008 gedateerd geneeskundig advies. Daarin is geconcludeerd dat eiseres door stoornissen beperkt is in haar mobiliteit en de echtgenoot van eiseres gelet op zijn stoornissen en beperkingen in staat is het huishoudelijk werk te doen, afgezien van de zware taken. Geadviseerd wordt eiseres in aanmerking te brengen voor hulp bij het huishouden voor 3 uur per week voor het zware huishoudelijke werk.
Op grond van dit advies heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat na bezwaar bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Daarbij is eiseres in overweging gegeven een AWBZ-aanvraag in te dienen voor een verhoogde indicatie van het persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging, die vervolgens aangewend kan worden voor hulp bij het huishouden.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank ziet op grond van de gedingstukken geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van verweerder dat van de echtgenoot van eiseres de gebruikelijke zorg voor het huishouden kan worden verlangd, afgezien van het zware huishoudelijke werk. De stelling van eiseres dat haar echtgenoot daartoe niet in staat is wegens zijn beperkingen is niet met medische gegevens onderbouwd.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat haar echtgenoot behulpzaam is bij haar persoonlijke verzorging en dat de vermindering van het aantal toegekende uren zal leiden tot lichamelijke en psychische problemen bij haar echtgenoot.
De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat het onder het regime van de AWBZ was toegestaan om bijvoorbeeld de geïndiceerde functie persoonlijke verzorging uit te ruilen tegen de functie huishoudelijke verzorging. Op deze wijze kon een cliënt er in overleg met de mantelzorger voor kiezen de mantelzorger de persoonlijke verzorging op zich te laten nemen en een derde in te zetten voor huishoudelijke verzorging in plaats van persoonlijke verzorging.
Met de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ overgeheveld naar de Wmo. Als gevolg van deze overheveling is een uitruil tussen persoonlijke verzorging en huishoudelijke verzorging niet meer mogelijk.
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel van de Wmo is dit zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer uitgebreid aan de orde gesteld (zie onder meer het verslag van het wetgevingsoverleg op 26 januari 2006, Kamerstukken II, 2005-2006, 30131, nr. 98, de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) over de voortgang van de implementatie van de Wmo van 18 oktober 2006, Kamerstukken II, 2006-2007, 30131, nr. 111 en het voorlopig verslag van de vaste commissie voor VWS van 28 maart 2006, Kamerstukken I, 2005-2006, 30131, B). In dit verband is van de zijde van de regering herhaaldelijk bevestigd dat met de overheveling van de huishoudelijke verzorging naar een ander financieringssysteem uitruil van functies tussen de AWBZ en de Wmo niet mogelijk is. Daarbij is er wel op gewezen dat gemeenten met de invoering van de Wmo verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van mantelzorgers en gehouden zijn invulling te geven aan de in artikel 4 van Pro de Wmo vervatte compensatieplicht. Hieruit vloeit volgens de regering voort dat de mantelzorger, indien deze een deel van de persoonlijke verzorging op zich neemt en ondersteuning nodig heeft in de vorm van huishoudelijke verzorging omdat overbelasting dreigt, zich tot de gemeente kan wenden met het verzoek tot het treffen van een voorziening ingevolge de Wmo.
De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo af dat de wetgever zich gerealiseerd heeft dat de burger als gevolg van het verdwijnen van de mogelijkheid tot uitruil nadeel kan ondervinden, maar dat de wetgever geen noodzaak heeft gezien tot aanpassing van het wetsvoorstel omdat het beoogde stelsel van wetgeving dit nadeel voldoende kan ondervangen.
Met inachtneming van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres een bijdrage levert aan de door haar benodigde persoonlijke verzorging er niet toe kan leiden dat eiseres daarvoor bij wijze van uitruil hulp bij het huishouden wordt toegekend.
Dit betekent dat het beroep ongegrond verklaard dient te worden.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, mr. A.I. van der Kris en
mr. G.M.J. Vijftigschild, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W. Veldman als griffier, op
De voorzitter is buiten staat
deze uitspraak te tekenen
(oudste rechter)
Afschrift verzonden op: