ECLI:NL:RBUTR:2012:BY3464
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en geschil over overeenkomst van opdracht voor training en stalling van springpaarden
Eisers, bestaande uit een vennootschap onder firma en haar vennoten, vorderen betaling en verklaringen van aansprakelijkheid van gedaagden, waaronder de eigenaresse van drie springpaarden en haar handelsstal. De kern van het geschil betreft de vraag of er rechtsgeldige overeenkomsten van opdracht zijn gesloten voor het stallen en trainen van de paarden, en of gedaagde sub 1 tekort is geschoten in de nakoming daarvan.
De rechtbank constateert dat de trainings- en stallingsovereenkomst met betrekking tot het paard [paard 1] betwist wordt door gedaagde sub 1, die stelt dat de schriftelijke overeenkomst een vervalsing is en dat de minderjarige [B] niet bevoegd was om dergelijke overeenkomsten aan te gaan. Ook betwist zij de betalingsverplichtingen en stelt zij dat er sprake was van een leaseovereenkomst in natura.
Voor de paarden [paard 3] en [paard 2] is vastgesteld dat zij bij eisers in training waren, maar de aard van de overeenkomst en de betalingsverplichtingen zijn onderwerp van discussie. De rechtbank legt de bewijslast bij eisers om aan te tonen dat er een overeenkomst van opdracht is gesloten en dat de paarden vanaf bepaalde data bij hen zijn ondergebracht.
De rechtbank wijst erop dat, indien eisers slaagt in haar bewijsopdracht, zij recht heeft op betaling van het gebruikelijke loon van € 600 per maand per paard. De vorderingen met betrekking tot het paard [paard 1] worden aangehouden in afwachting van de beslissing over de andere paarden. Tevens worden de vorderingen van gedaagden in reconventie aangehouden.
De rechtbank bepaalt nadere voorwaarden voor bewijslevering, waaronder het opgeven van getuigen en verhinderdata, en houdt verdere beslissingen aan totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.
Uitkomst: De rechtbank draagt eisers op bewijs te leveren en houdt verdere beslissingen aan.