ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9860
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende overtuigend bewijs van bedreiging ondanks wettig bewijs
De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van bedreiging van aangever en diens vriendin op 18 november 2011. Aangever verklaarde dat hij onder dwang van verdachte en medeverdachte naar de bank en later naar Rotterdam werd gebracht, met dreigementen waaronder doodsbedreigingen. Diverse getuigen bevestigden de angstige toestand van aangever en de gespannen sfeer.
De officier van justitie stelde dat sprake was van medeplegen en baseerde zich op verklaringen van aangever, getuigen en een telefoongesprek met een derde die bedreigende taal gebruikte. De verdediging voerde aan dat het verhaal van aangever inconsistent en onbetrouwbaar was en dat er onvoldoende overtuigend bewijs was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er voldoende wettig bewijs was, de verklaringen van aangever met behoedzaamheid moesten worden bekeken vanwege inconsistenties, zijn strafrechtelijk verleden en het ontbreken van aanwijzingen voor een onvrijwillige situatie. De rechtbank vond het niet aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk strafbare bedreigingen heeft geuit, waardoor de overtuiging ontbrak dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen wegens de vrijspraak en werd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling afgewezen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van bedreiging.