ECLI:NL:RBUTR:2012:BV1588

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
23 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/720507-10; 16/712364-09 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 SvArt. 359a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor vervalsing en verduistering bekeuringen

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het uitschrijven van vervalste bekeuringen en het niet afdragen van geïnd geld. De tenlastelegging omvatte onder meer het vervalsen van bekeuringen en verduistering van geld in zijn functie als hoofdagent.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat er geen eenduidige getuigenverklaringen waren die verdachte als dader konden identificeren. Het handschriftkundig onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut was louter confirmatief en gericht op bevestiging van de schuld van verdachte, zonder alternatieve scenario’s te onderzoeken. Ook waren de kledingkasten waar bekeuringen werden aangetroffen niet altijd afgesloten en toegankelijk voor anderen.

De verdediging voerde aan dat het forensisch onderzoek onbetrouwbaar was en dat er sprake was van tunnelvisie, wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat het onderzoek geen grove fouten bevatte die een schending van de procesorde vormden.

Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de feiten had begaan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde feiten.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM, zitting houdende te Utrecht
Sector strafrecht
parketnummer: 05/720507-10; 16/712364-09 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 januari 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1973] te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [woonplaats]
raadsman mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: valse bekeuringen heeft uitgeschreven;
Feit 2 primair: in zijn functie als hoofdagent van politie geïnd geld van bekeuringen niet heeft afgedragen;
Feit 2 subsidiair: personen die hij heeft bekeurd, heeft opgelicht;
Feit 3 primair: personen die hij heeft bekeurd, heeft opgelicht;
Feit 3 subsidiair: in zijn functie als hoofdagent van politie geïnd geld van bekeuringen niet heeft afgedragen.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat bij het forensisch onderzoek ter zake van handschriftvergelijking grove fouten zijn gemaakt bij de selectie van het te onderzoeken materiaal. Het forensisch onderzoek is niet objectief en geeft blijk van tunnelvisie bij de personen die met het opsporingsonderzoek waren belast. Het onderzoek had louter het doel cliënt als verdachte te positioneren. Een en ander is een zodanig verzuim dat niet langer sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Dit kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Hiervoor is alleen plaats als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut naar het handschrift op de aan verdachte toegeschreven bekeuringen is gebaseerd op een voorselectie van een aantal bekeuringen, die door verdachte zouden kunnen zijn uitgeschreven. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat door de wijze van uitvoering van de voorselectie, vormen in het voorbereidend onderzoek zijn verzuimd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde.
Van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging is daarom geen sprake. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging is.
De rechtbank acht geen reden aanwezig voor schorsing van de vervolging.
De rechtbank merkt daarbij echter wel op dat het in de rede had gelegen en wenselijk zou zijn geweest dat de opdracht aan het Nederlands Forensisch Instituut tot handschriftvergelijkend onderzoek ruimer was geweest, er meer onderzoeksmateriaal was aangeboden en het onderzoek niet gericht zou zijn geweest op een al dan niet bevestiging van het handschrift van verdachte. De rechtbank volstaat met deze constatering nu voornoemde gang van zaken niet is aan te merken als een grove of doelbewuste veronachtzaming van de rechten van verdachte.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 1 tenlastegelegde met uitzondering van de bekeuringen die zijn uitgeschreven aan [A] en [B] omdat daar geen dienstnummer op is ingevuld dan wel dat dit dienstnummer onleesbaar is.
De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair onder feit 2 en primair onder feit 3 tenlastegelegde. De officier van justitie baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij onder meer op hetgeen als argumentatie is aangevoerd zoals onder 3.1. is opgenomen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat handschriftkundige analyse zoals in casu is uitgevoerd geen betrouwbaar bewijsmiddel kan zijn. De raadsman heeft voorts onder verwijzing naar het orthopedisch schoenmakerarrest (Hoge Raad 27 januari 1998, NJ 1998, 404) betoogd dat het rapport van ing. C.H.W. ten Camp onbetrouwbaar is, omdat de deskundigheid van deze onderzoeker/rapporteur niet kan worden vastgesteld. Het handschriftkundig onderzoek moet daarom als onbetrouwbaar worden bestempeld en het resultaat daarvan kan niet voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten worden gebruikt. Voor het overige resteert onvoldoende bewijs voor de ten laste gelegde feiten in het dossier om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Derhalve dient vrijspraak van verdachte te volgen voor de hem ten laste gelegde feiten.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Er zijn geen getuigen die eenduidig verklaren dat verdachte de persoon is die aan hen een (valse) bekeuring heeft uitgeschreven. Er hebben geen meervoudige (foto)confrontaties plaatsgevonden. De door getuigen gegeven signalementen van de verbalisant die de bekeuring heeft uitgeschreven, zijn niet zo specifiek dat hieruit duidelijk de persoon van verdachte naar voren komt als degene die de bekeuringen zou hebben uitgeschreven. De herkenning van verdachte door getuige [getuige] betreft een enkelvoudige fotoconfrontatie en heeft om die reden betrekkelijke bewijswaarde.
In de kledingkasten in gebruik bij verdachte zijn originele (witte) bekeuringen aangetroffen. De stelling dat verdachte deze bekeuringen heeft uitgeschreven kan onvoldoende worden onderbouwd omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat ook anderen van deze kledingkasten gebruik maakten. De kasten waren niet altijd afgesloten en algemeen was bekend dat de reservesleutels van de kledingkasten bewaard worden op een plaats die voor eenieder (op het politiebureau) toegankelijk is. Ditzelfde geldt voor de originele (witte) bekeuring die is aangetroffen in de niet afgesloten administratiekast op naam van verdachte.
Het handschriftvergelijkend onderzoek, verricht door het Nederlands Forensisch Instituut, betreft een louter confirmatief onderzoek in die zin dat de betwiste (valse) bekeuringen slechts zijn vergeleken met bekeuringen die door verdachte zouden zijn uitgeschreven.
Met de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan niet met voldoende zekerheid worden weerlegd dat een ander dan verdachte de betwiste bekeuringen heeft uitgeschreven. De zich in het dossier bevindende stukken duiden erop dat uitsluitend naar bevestiging is gezocht van de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende strafbare feiten en dat onvoldoende pogingen zijn gedaan om alternatieve scenario’s te (doen) onderzoeken dan wel uit te sluiten. De rechtbank is tot de beslissing gekomen de officier van justitie niet op te dragen nader onderzoek te doen, gelet op de omvang van het benodigde aanvullende onderzoek.
Ook overigens biedt het dossier onvoldoende voor het wettig bewijs van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.
5 De beslissing
De rechtbank:
Voorvragen
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Bakkenes, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 januari 2012.
Mr. Kruijer en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.