ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7641
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.W.G. de Beer
- Rechtspraak.nl
EU-burger strafrechtelijk vervolgd voor verblijf als ongewenst vreemdeling zonder strafbaarheid
De verdachte, een Franse EU-burger, werd op 19 mei 2011 in Utrecht aangetroffen terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet. Deze ongewenstverklaring was in 2002 door de Staatssecretaris van Justitie genomen vanwege meerdere eerdere veroordelingen voor diefstal en soortgelijke feiten.
De politierechter achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De verdediging voerde aan dat de beschikking tot ongewenstverklaring niet was getoetst aan artikel 27 van Pro Richtlijn 2004/38/EG en dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit opleverde omdat verdachte geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde.
De rechtbank stelde vast dat de laatste relevante overtreding van verdachte dateerde uit 2007 en dat er sindsdien geen nieuwe feiten waren die een bedreiging voor de samenleving vormden. Gezien het EU-recht en de jurisprudentie werd het bewezenverklaarde niet als strafbaar beschouwd, waarna verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging.
De officier van justitie had een gevangenisstraf geëist, maar de politierechter oordeelde dat toepassing van artikel 197 Sr Pro in dit geval een ongerechtvaardigde inbreuk op het gemeenschapsrecht zou betekenen. Verdachte werd vrijgesproken van alles wat niet bewezen was en ontslagen van rechtsvervolging voor het bewezenverklaarde.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezenverklaarde niet strafbaar is.