ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1896
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van verkrachting en gemeenschap met wilsonbekwame
De rechtbank Utrecht behandelde de zaak van verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en subsidiaire seksuele gemeenschap met een wilsonbekwame. Het slachtoffer had verklaard dat verdachte haar had aangeraakt en mogelijk seksueel binnengedrongen, maar deze verklaringen waren met grote behoedzaamheid te beoordelen vanwege haar lage IQ en de wijze waarop de verklaringen tot stand waren gekomen.
De moeder van het slachtoffer had meerdere gesprekken gevoerd om het verhaal te achterhalen, en het slachtoffer had ook gesprekken gehad met een psycholoog. De rechtbank kon echter niet vaststellen of deze verklaringen beïnvloed waren en constateerde concrete aanwijzingen voor veranderingen in de verklaringen. Er ontbrak aanvullend bewijs dat de ten laste gelegde gedragingen bevestigde.
De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat het slachtoffer en haar familie in een complot tegen verdachte zaten. Toch kon de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen welke gedragingen hadden plaatsgevonden. Op basis van de betrouwbaarheid van de verklaring kon niet worden vastgesteld dat sprake was van seksueel binnendringen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor verkrachting en subsidiaire seksuele gemeenschap met wilsonbekwame.