ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9867
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in hennepkwekerijzaak
De rechtbank Utrecht behandelde op 30 november 2010 een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die medeplichtig was aan het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, onder B, van de Opiumwet. De zaak betrof werkzaamheden verricht ten behoeve van de teelt van hennep in de periode van 2 juni tot en met 11 augustus 2009 te Vianen.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de veroordeelde niet is verschenen, ondanks behoorlijke oproeping. De officier van justitie voerde de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan, gebaseerd op het strafdossier en het proces-verbaal van berekening van het voordeel.
De veroordeelde verklaarde dat hij geen geld had ontvangen voor zijn werkzaamheden in de kwekerij. Gezien de inhoud van het procesdossier kon de rechtbank niet vaststellen dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had genoten. Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie af.
De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht, bestaande uit de rechters A. Wassing (voorzitter), J. Ebbens en S. Wijna, en uitgesproken in aanwezigheid van griffier A.J. Reitsma.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.