ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering wegens intrekking verblijfstitel
Verzoekers ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), die werd beëindigd nadat hun verblijfsvergunning was ingetrokken wegens toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De intrekking volgde na eerdere procedures en vernietigingen, maar uiteindelijk werden de beroepen van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard, waardoor zij niet langer rechtmatig in Nederland verblijven.
Verzoekers maakten bezwaar tegen de beëindiging van de uitkering en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde eerder dat het beëindigen van de uitkering onaanvaardbaar was zolang niet in rechte was vastgesteld dat de tegenwerping van artikel 1F rechtmatig was, mede vanwege mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro.
In het bestreden besluit werd het bezwaar ongegrond verklaard en de beëindiging gehandhaafd. De voorzieningenrechter constateert dat de situatie niet wezenlijk is veranderd en bevestigt het voorlopige oordeel. De rechter schorst het besluit van 1 oktober 2009 en beveelt dat de uitkering wordt doorbetaald totdat de beroepsprocedures tegen de ongewenstverklaring zijn afgerond.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de verweerder in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan verzoekers wordt terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank schorst het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering en beveelt doorbetaling totdat de beroepsprocedures tegen de ongewenstverklaring zijn afgerond.