ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3156
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- M.L. Bressers
- J. Ebbens
- Rechtspraak.nl
Weigering afgifte Verklaring Omtrent het Gedrag voor locatieleider ondanks lage recidivekans
Verzoeker heeft in 2005 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van locatieleider, welke door de Minister van Justitie werd geweigerd. Na meerdere procedures vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het eerdere besluit wegens onvoldoende motivering en gaf opdracht tot een nieuw besluit. De Minister nam vervolgens een nieuw besluit op basis van de aangescherpte Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 en wees het bezwaar opnieuw af.
De rechtbank overweegt dat de toetsing ex nunc dient plaats te vinden en dat verzoeker onder het oude beleid niet zonder meer aanspraak had op een VOG. De toepassing van de beleidsregels uit 2008 is daarom gerechtvaardigd. Hoewel verzoeker een levensdelict heeft gepleegd, vormt dit op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die weigering rechtvaardigt. Wel acht de rechtbank het verantwoord dat de Minister de VOG weigert vanwege de functie waarin verzoeker werkt, waarbij hij met minderjarigen in een afhankelijkheidspositie verkeert en een voorbeeldfunctie heeft.
De rechtbank concludeert dat de Minister in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot weigering van de VOG, ondanks de lage recidivekans en het feit dat verzoeker sinds 2002 in het onderwijs werkzaam is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.