ECLI:NL:RBUTR:2009:BH3333
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling gemeenschap van goederen na echtscheiding met geschil over vermogensverdeling en woningaanpassingen
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn inmiddels gescheiden. De vrouw stelt recht te hebben op meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen omdat de man tijdens het huwelijk geld heeft verkwist dat bestemd was voor aanpassingen in de woning vanwege haar handicap. De man betwist het bestaan van een dergelijke afspraak en beroept zich op wilsgebrek.
De rechtbank oordeelt dat het wettelijke stelsel van het huwelijksvermogensrecht de vrouw niet in haar voordeel laat afwijken van de hoofdregel dat ieder recht heeft op de helft van de gemeenschap. De door de vrouw genoemde afspraak is niet vastgelegd in een notariële akte of echtscheidingsconvenant en is daarom niet geldig. Ook de stelling dat de verdeling op grond van redelijkheid en billijkheid anders moet zijn, wordt verworpen omdat de omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zijn.
De woning wordt verkocht, waarbij de hypothecaire schuld en verkoopkosten worden afgetrokken van de opbrengst, waarna de rest gelijk wordt verdeeld. De verdeling van verzekeringspolissen en bankrekeningen wordt aangehouden voor nadere onderbouwing en aktewisseling. De inboedel en voertuigen worden verdeeld volgens het voorstel van de man, waarbij de rechtbank het bezwaar van de vrouw tegen toedeling van enkele erfstukken aan de man niet volgt.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor verdere aktewisseling over de verzekeringen, bankrekeningen en een depot, waarna partijen kunnen reageren. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden en wordt partijen geadviseerd een vergelijk te onderzoeken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep van de vrouw op meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen af en bepaalt dat de verdeling conform de wettelijke hoofdregel plaatsvindt met nadere aktewisseling over verzekeringen en bankrekeningen.