ECLI:NL:RBUTR:2008:BG9829
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verstekvonnis inzake inning dwangsom door publiekrechtelijk orgaan
In deze zaak heeft Bureau Financieel Toezicht (BFT) aan [B] een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet melden van een ongebruikelijke transactie aan FIU-Nederland. Na het verstrijken van de termijn zonder betaling, heeft BFT via het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) de dwangsom geïncasseerd en vervolgens een civiele procedure gestart om een executoriale titel te verkrijgen.
[B] heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 5 maart 2008 en betoogd dat BFT als publiekrechtelijk orgaan niet langs privaatrechtelijke weg een dwangsom kan innen, omdat de wetgever abusievelijk geen bevoegdheid tot dwangbevel heeft toegekend. Tevens stelde [B] dat eerdere bestuursrechtelijke procedures onjuist waren verlopen.
De kantonrechter oordeelt dat de vraag of de dwangsom terecht is opgelegd niet aan de orde is in deze procedure, aangezien dit onderwerp in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven ligt. De kantonrechter stelt vast dat BFT zich terecht tot de civiele rechter heeft gewend om een executoriale titel te verkrijgen, mede gelet op de wetsartikelen die het opleggen van dwangsommen en bestuurlijke boetes regelen.
De kantonrechter concludeert dat het ontbreken van een wettelijke bevoegdheid tot dwangbevel bij de dwangsom een omissie van de wetgever betreft, die niet mag leiden tot het oninbaar zijn van de dwangsom. Artikel 5:33 Awb Pro ondersteunt dit oordeel. Daarom wordt het verstekvonnis bekrachtigd en wordt [B] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en [B] wordt veroordeeld tot betaling van de dwangsom en proceskosten.