ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8107

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
25 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 08-494
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 11 planvoorschriften bestemmingsplanArt. 19 WRO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing vrijstellingsbesluit voor vestiging kinderdagverblijf Maliebaan 52 Utrecht

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente Utrecht om vrijstelling te verlenen voor het intern verbouwen van een woning tot kinderdagverblijf aan de Maliebaan 52.

De rechtbank oordeelt dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende inzicht geeft in de stedenbouwkundige inpassing van het kinderdagverblijf in de woonomgeving. Dit is in strijd met het bestemmingsplan en de gemeentelijke visie 'Wonen en werken in balans', waarin kantoorontwikkelingen moeten worden teruggedrongen en de woonfunctie versterkt.

Hoewel de gemeente prioriteit geeft aan het creëren van meer kinderopvang vanwege lange wachtlijsten, blijkt uit het dossier dat met de vestiging geen nieuwe opvangplekken worden gecreëerd, maar slechts een verplaatsing plaatsvindt met een minimale uitbreiding.

De voorzieningenrechter besluit daarom het vrijstellingsbesluit te schorsen tot drie weken na de beslissing op het bezwaar van verzoekers. Tevens wordt bepaald dat de gemeente het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoedt.

Uitkomst: Het vrijstellingsbesluit voor het kinderdagverblijf aan de Maliebaan 52 wordt geschorst wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 08/494
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2008
inzake
[verzoekerrs],
wonende te Utrecht,
verzoekers,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op de besluiten van verweerder van 10 oktober 2007 en 31 januari 2008, waarbij aan G.J. Burger te Amsterdam (hierna: vergunninghouder) bouwvergunning en vrijstelling is verleend voor het intern verbouwen en het wijzigen van een woning in een kinderdagverblijf op het perceel Maliebaan 52 te Utrecht.
1.2 Het verzoek is op 11 maart 2008 ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde M.C. Modijefsky-van der Wiel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Namens vergunninghouder is G.J. Burger, vergezeld door A.D. Strijder, ter zitting verschenen.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.
2.3 Het bouwplan behelst het intern wijzigen van een woonruimte ten behoeve van het realiseren van een kinderdagverblijf op de begane grond aan de Maliebaan 52 te Utrecht. Ook de bijbehorende tuin zal worden gebruikt door het kinderdagverblijf. Het kinderdagverblijf zal plaats bieden aan maximaal tien kinderen in de leeftijdscategorie 0-4 jaar. De te verwachten openingstijden zijn maandag tot en met vrijdag van 07:30 - 18:30 uur.
De woning van verzoekers is gelegen aan de Maliebaan 52a, naast het betreffende perceel.
2.4 Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadsvernieuwingsplan Buiten-Wittevrouwen, 1992" de bestemming "Woondoeleinden W".
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden, die op de plankaart zijn bestemd voor woondoeleinden uitsluitend worden gebruikt voor het oprichten en hebben van gebouwen ten behoeve van woondoeleinden.
Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Om deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend.
2.5 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.
Onder de in artikel 19, eerste lid, van de WRO opgenomen goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
In de circulaire van de Provincie Utrecht van 4 juli 2006 over de toepassing van artikel 19 van Pro de WRO is onder meer een zogenoemde limitatieve lijst opgenomen van gevallen waarin burgemeester wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kunnen verlenen. In die lijst is onder 3.1.2, de limitatieve lijst onder B, stedelijk gebied, sub b, opgenomen dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen, de daaruit voortkomende bouwactiviteiten alsmede uitbreiding van bestaande functies op buurt- en wijkniveau; (...).
2.6 In de ten behoeve van het bouwplan opgestelde ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder - onder meer - opgenomen dat het gemeentebestuur veel belang hecht aan voldoende kinderopvang in de stad. De vestiging van een kinderdagverblijf of naschoolse opvang is een gewenste voorziening en het vervult een functie in de opvang van kinderen in de omgeving. Het kinderdagverblijf is thans elders in de stad gevestigd. Verplaatsing naar Maliebaan 52 is gewenst omdat deze locatie meer geschikt wordt geacht vanwege de grotere tuin en de verblijfsruimten in het pand. In het bestreden besluit heeft verweerder daar aan toegevoegd dat de maatschappelijke en politieke wens bestaat meer kinderdagverblijven op te richten vanwege de nog altijd lange wachtlijsten. De onderhavige locatie wordt bij uitstek geschikt geacht voor de vestiging van een kinderdagverblijf.
2.7 Ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vooralsnog niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Bij de ruimtelijke onderbouwing is onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige inventarisatie van de ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten. Weliswaar is in de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving gegeven van de Maliebaan, maar onvoldoende is aangegeven waarom de beoogde verandering in ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht goed inpasbaar is in de woonomgeving. Daartoe was eens te meer aanleiding, nu in de gemeentelijke visie "Wonen en werken in balans (1997)" als doelstelling is geformuleerd dat verdere kantoorontwikkelingen moeten worden teruggedrongen en de woonfunctie ter plaatse moet worden versterkt.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat prioriteit is gegeven aan het streven om vanwege de lange wachtlijsten meer kinderdagverblijven op te richten. Een dergelijke afweging hoeft echter nog niet gelijk te leiden tot realisatie van het kinderdagverblijf op de onderhavige plek. Bovendien dient verweerder bij de afweging van alle relevante belangen ook aandacht te besteden aan de stelling van verzoekers dat met de vestiging van het onderhavige kinderdagverblijf geen nieuwe opvangplekken worden gecreëerd omdat het kinderdagverblijf wordt verplaatst en slechts twee kinderen extra kunnen worden opgevangen.
2.8 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 31 januari 2008 te schorsen tot drie weken nadat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoekers tegen dat besluit.
2.9 De voorzieningenrechter is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wel is er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
3.2 schorst het besluit van verweerder van 31 januari 2008 tot drie weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers van 7 februari 2008;
3.3 bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,-; aan hen vergoedt;
3.4 wijst de gemeente Utrecht aan als rechtspersoon die het onder 3.3 genoemde bedrag dient te vergoeden.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2008.
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr. V.N. Sluiter mr. H.J.H. van Meegen
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen.