ECLI:NL:RBUTR:2007:BC1894
Rechtbank Utrecht
- Raadkamer
- M.J. Veldhuijzen
- S.C. Hagedoorn
- D.A.C. Koster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij vordering gevangenhouding na aanvang onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank Utrecht behandelde op 12 november 2007 een vordering van het Openbaar Ministerie tot gevangenhouding van verdachte. Het onderzoek ter terechtzitting was reeds aangevangen op 2 november 2007, waarbij het OM geen gevangenhouding had gevorderd. Later verzocht het OM alsnog in raadkamer de gevangenhouding te vorderen.
De raadsman van verdachte stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat artikel 66 Wetboek Pro van Strafvordering bepaalt dat na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een vordering tot gevangenhouding niet meer in raadkamer kan worden ingediend, maar alleen bij de zittingsrechter. Tevens werd aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat verdachte mocht vertrouwen op vrijlating na het niet-vorderen van gevangenhouding tijdens de zitting.
De rechtbank oordeelde dat het systeem van de wet inderdaad voorschrijft dat na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting slechts de zittingsrechter bevoegd is om over gevangenhouding te beslissen. Het toestaan van een vordering in raadkamer na het verzuim tijdens de zitting zou leiden tot een ongewenste dubbele instantie en strijd zijn met het concentratiebeginsel en het gesloten systeem van rechtsmiddelen.
Daarom verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vordering tot gevangenhouding en stelde dat alleen de rechter-commissaris bevoegd is om over onmiddellijke invrijheidstelling te beslissen zolang de bewaring voortduurt. De rechtbank onderschreef ook het beroep op het vertrouwensbeginsel door de raadsman.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot gevangenhouding omdat deze niet tijdens de terechtzitting is ingediend.