Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6102

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 07-1120
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 40 WoningwetArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning schooluitbreiding te Zeist

Het verzoek betreft een voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen en vergroten van een schoolgebouw te Zeist. Verzoekers, omwonenden, stelden dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en overlegden een tegenadvies van een welstandscommissie.

De voorzieningenrechter overweegt dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat de welstandscommissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (WMMN) een positief stempeladvies heeft gegeven. Hoewel verweerder niet gebonden is aan het welstandsadvies, dient hij dit advies in beginsel te volgen tenzij een gemotiveerd tegenadvies wordt overlegd.

Verzoekers hebben een tegenadvies ingediend, waarop verweerder een reactie moet vragen van de WMMN en dit gemotiveerd moet betrekken in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter acht het echter niet aannemelijk dat het bouwplan bij het besluit op bezwaar in strijd zal worden geoordeeld met redelijke eisen van welstand.

Gelet op de belangen en het voorlopige karakter van de toetsing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de bouwvergunning te schorsen. Er is tevens geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de schooluitbreiding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 07/1120
1a
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2007
inzake
[verzoekers]
allen wonende te Zeist,
verzoekers,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders besluit van 28 februari 2007, waarbij aan de
[stichting] (hierna: vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk veranderen en vergroten van een schoolgebouw op het perceel plaatselijk bekend als [adres] te Zeist.
1.2 Het verzoek is op 22 mei 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoekers is verschenen
[verzoeker], bijgestaan door mr. H.M. van der Bij, advocaat te Amersfoort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Huiszoon, werkzaam bij de gemeente Zeist. Namens de vergunninghouder zijn ter zitting verschenen [betrokkenen]
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.
2.3 Het bouwplan voorziet in een aanbouw aan de achterzijde van een multifunctionele ruimte (één laag) en de bouw van zes lokalen en kantoorruimte (verdeeld over twee lagen) aan de zijkant van het schoolgebouw. Daardoor neemt de bebouwde oppervlakte toe van 2270 m² naar 3129 m², de bruto vloeroppervlakte van 3970 m² naar 5225 m² en de bruto inhoud van 19000 m³ naar 24250 m³.
2.4 Verzoekers zijn omwonenden die uitkijken op de linkerzijde van het schoolgebouw. Verzoekers voeren met name aan dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd, omdat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving. Verzoekers geven daarbij aan dat de uitbouw aan die zijde een ingrijpende en ontoelaatbare wijziging tot gevolg heeft ten opzichte van de huidige situatie en niet past bij het oorspronkelijke gebouw in deze omgeving. Het beoogde bouwplan heeft volgens verzoekers de uitstraling van een modern kolossaal kantoorgebouw met plat dak en ontneemt aan de zijkant het zicht op het hoofdgebouw volledig. Een schuin dak ontbreekt, waardoor een ontoelaatbare trendbreuk ontstaat met de bestaande bebouwing. Ook is volgens verzoekers het afwerkingsniveau onacceptabel door het grote aantal ramen zonder vakverdeling, hetgeen in afwijking is van de bestaande bouw. Bovendien voldoet het bouwplan niet aan de criteria zoals neergelegd in de Welstandsnota Zeist 2004. Verzoekers wijzen in dat verband ook op een door hen overgelegde tegenadvies van de welstandscommissie Stichting Dorp, Stad en Land van
16 mei 2007. Verzoekers vinden het onbegrijpelijk dat de welstandscommissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (WMMN) in augustus 2006 in het principe welstandsadvies nog uitdrukkelijk aangeeft bezwaren te hebben tegen de principe-aanvraag en vervolgens naar aanleiding van de definitieve aanvraag zonder nadere motivering een positief stempeladvies geeft.
2.5 In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning van burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Ww, voor zover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.
2.6 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het imperatief-limitatieve stelsel van artikel 44 Ww Pro met zich brengt dat de bouwvergunning alleen geweigerd mag worden indien één van de daarin genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat daar vanuit, dat het bouwplan niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan "Lyceumkwartier".
2.7 Met betrekking tot de bezwaren van verzoekers dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand en niet voldoet aan de criteria van de gemeentelijke Welstandsnota, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Hoewel verweerder niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mag hij gelet op vaste jurisprudentie aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. De Ww voorziet immers niet zonder reden in de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen voor het uitbrengen van advies over ingediende bouwplannen. De advisering van een dergelijke commissie moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager een tegenadvies overlegt van een ander deskundig te achten persoon of instantie.
2.8 De WMMN heeft op 7 december 2006 middels een zogenoemd stempeladvies positief geadviseerd over dit bouwplan. Verzoekers hebben de vraag opgeworpen welke wijzigingen in het definitieve bouwplan zijn opgenomen op grond waarvan de welstandscommissie, nadat de commissie zich eerder negatief had uitgesproken over een principe-aanvraag, tot een positief stempeladvies is gekomen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit een wijziging was in de overgang van de bestaande bebouwing aan de achterzijde en de geplande nieuwbouw. Dit punt behoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de beslissing op bezwaar echter een uitdrukkelijke motivering, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke wijziging(en) het bouwplan heeft ondergaan. Gezien de uitleg van verweerder ter zitting en het door verweerder overgelegde stuk van 18 mei 2007, waarin [directeur], directeur van de WMMN, gemotiveerd heeft aangegeven dat het bouwplan volgens de WMMN niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, ziet de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding om thans aan te nemen dat deze motivering niet kan worden gegeven.
2.9 Gelet op vaste jurisprudentie dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het welstandsoordeel mag niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Verzoekers betwisten niet dat het bestemmingsplan in nog ruimere bouwmogelijkheden voorziet dan het vergunde bouwplan. In het nadere advies van 18 mei 2007 heeft de WMMN naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden de ruime bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter wel aan dat naar voorlopig oordeel niet op voorhand kan worden geoordeeld dat in het geval hangende bezwaar zou worden geconcludeerd dat het ontbreken van een schuine kap op de eerste verdieping strijdig moet worden geacht met redelijke eisen van welstand, het stellen van die eis in dit geval, in aanmerking genomen de wijze waarop in het verleden ter plaatse is gebouwd, leidt tot een situatie waarin de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt op onaanvaardbare wijze worden doorkruist.
2.10 Verzoekers hebben in bezwaar gemotiveerd aangegeven waarom zij van mening zijn dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Voorts hebben zij een advies van 16 mei 2007 overgelegd van de Stichting Dorp, Stad en Land, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gelet hierop zal verweerder, alvorens te besluiten op de ingediende bezwaren, de WMMN om een reactie op het tegenadvies dienen te vragen, en in het te nemen besluit op bezwaar aan dit punt gemotiveerd aandacht dienen te schenken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat specifiek de criteria uit de Welstandsnota moeten worden meegewogen, aangezien deze Welstandsnota nog niet bestond ten tijde van een in 1999 verleende bouwvergunning voor een onderdeel van het onderhavige bouwplan, van welke bouwvergunning geen gebruik is gemaakt, en de eerdere nieuwbouw in de jaren negentig, zodat niet kan worden volstaan met verwijzing naar eerder verleende vergunningen en nieuwbouw.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan echter niet op voorhand worden gezegd dat met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat bij het besluit op bezwaar zal moeten worden geconcludeerd dat het bouwplan in strijd komt met redelijke eisen van welstand. Daartoe neemt de voorzieningenrechter in aanmerking het door verweerder overgelegde stuk van 18 mei 2007, waarin gemotiveerd is aangegeven op welke gronden de WMMN van mening is dat de bezwaren van verzoekers geen aanleiding geven het eerdere oordeel over het bouwplan te herzien. Daarbij is ook uitdrukkelijk ingegaan op de gestelde strijd met de Welstandsnota.
2.10 Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding de bouwvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat verweerder de besluitvorming op de bezwaren voortvarend ter hand zal nemen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2007.