ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ2286

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
15 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 06-2985
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verzoek kostenvergoeding na uitspraak op bezwaar

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2006, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2006 niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit besluit betrof de afwijzing van een verzoek om vergoeding van kosten gemaakt tijdens de behandeling van bezwaar tegen een eerder besluit van 28 februari 2005.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek om kostenvergoeding pas na de uitspraak op bezwaar is ingediend, terwijl de wet bepaalt dat een dergelijk verzoek vóór de uitspraak op bezwaar moet worden gedaan. Hierdoor kan geen vergoeding worden toegekend. Desondanks oordeelt de rechtbank dat het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2006 ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat dit besluit zelf rechtsgevolg had.

De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en verklaart het bezwaar ongegrond. Tevens wordt de gemeente Houten verplicht het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank wijst op de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en het bezwaar wordt ongegrond verklaard; de griffierechtvergoeding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 06/2985
uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 15 november 2006 inzake
[eiser], wonende te Schalkwijk,
eiser,
tegen
de heffingsambtenaar van de gemeente Houten,
verweerder.
Inleiding
1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van verweerder van 11 juli 2006, waarbij eisers bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2006 niet-ontvankelijk is verklaard. Bij dat besluit heeft verweerder een verzoek van eiser om vergoeding van kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2005 heeft moeten maken, afgewezen.
Overwegingen
2.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat op eisers bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2005 in voor hem gunstige zin is beslist bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2005 (waartegen overigens geen beroep is ingesteld), en dat eiser eerst nadien, te weten bij brief van 4 januari 2006, een verzoek om vergoeding van in de fase van bezwaar gemaakte kosten heeft ingediend.
2.2 Ingevolge artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, wordt het verzoek (om vergoeding van deze kosten) gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist, en vindt vergoeding uitsluitend op verzoek van de belanghebbende zelf plaats.
2.3 In het door advocaat mr. R.C. Vermeer namens eiser ingediende bezwaarschrift van 4 april 2005, noch later in de bezwaarschriftenprocedure, is bedoeld verzoek gedaan.
2.4 Zoals verweerder terecht heeft gesteld, volgt uit de wet dat op een na de uitspraak op bezwaar ingediend verzoek, geen kosten kunnen worden vergoed. Dat eiser die voorwaarde niet kende, kan hem gelet op de tekst van de wet niet baten.
Het verzoek om een kostenvergoeding is dan ook terecht niet gehonoreerd.
2.5 Toch kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.
Het primaire besluit was op rechtsgevolg gericht, nu bij dat besluit het verzoek om een kostenvergoeding is afgewezen. Het bezwaar daartegen was dus ontvankelijk en is door verweerder ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
2.6 De rechtbank acht evenwel termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. Immers, zoals hiervoor onder 2.4 is aangegeven, heeft verweerder het verzoek om kostenvergoeding terecht niet gehonoreerd, zodat het bezwaar ongegrond had moeten worden verklaard.
2.7 Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om verweerder het betaalde griffierecht te laten vergoeden. Van overige in het kader van deze procedure gemaakte en te vergoeden kosten is niet gebleken. Derhalve beslist de rechtbank gelet op artikel 8:54 van Pro de Awb zonder nader onderzoek als volgt.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
recht doende,
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt de uitspraak op bezwaar;
3.3 verklaart het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2006 ongegrond;
3.4 bepaalt dat de gemeente Houten het door eiser betaalde griffierecht ad € 38,- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2006.
De griffier: De rechter:
J.D. Koteris mr. H.J.H. van Meegen
Afschrift verzonden op:
De rechtbank wijst op artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-recht, waarin onder meer is bepaald dat een belanghebbende tegen deze uit-spraak binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan verzet kan doen bij de Rechtbank, sector bestuursrecht.
Verzet (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht):
- dit dient schriftelijk te geschieden binnen zes weken na verzending van de uitspraak;
- het verzetschrift moet worden ondertekend en dient ten minste te bevat-ten:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening en
- de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak;
- een afschrift van de uitspraak dient bij het verzetschrift te worden gevoegd;
- indien u in de gelegenheid wenst te worden gesteld om op een zitting over uw verzet door de rechtbank te worden gehoord, dient u dit schrifte-lijk in uw verzetschrift te vermelden;
- indien u wordt gehoord geschiedt dat uitsluitend omtrent het door u gedane verzet.