ECLI:NL:RBUTR:2003:AN9156
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.C. Quik-Schuijt
- M.C.M. van Laar
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing adoptieverzoek minderjarige wegens ontbreken machtiging voorlopig verblijf
Verzoekers hebben namens een minderjarige een verblijfsvergunning aangevraagd op grond van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet. Deze aanvraag werd afgewezen omdat de minderjarige niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zoals vereist volgens artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekers en de minderjarige (geboren in 1997) de normale procedure moeten volgen door tijdelijk terug te keren naar Rusland om daar een mvv aan te vragen. Hoewel de adoptie in het belang van het kind wordt geacht, kan niet worden afgeweken van het mvv-vereiste zolang er een reële mogelijkheid bestaat om dit te verkrijgen.
De rechtbank benadrukt dat het Nederlandse immigratiebeleid niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens noch met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De adoptie kan niet worden uitgesproken zonder de verblijfsprocedure te respecteren, omdat dit zou betekenen dat de Vreemdelingenwet wordt gepasseerd. Het verzoek tot adoptie wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de minderjarige wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.