ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9485
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vaststelling disproportionele beëindiging kinderbijslag wegens verblijfsstatus vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, ontving kinderbijslag op grond van zijn werkzaamheden in Nederland. Verweerder beëindigde deze uitkering per het derde kwartaal 1998 omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Wet arbeid vreemdelingen.
Eiser stelde dat hij rechtmatig in Nederland verbleef in afwachting van een beslissing op zijn toelatingsverzoek en dat de beëindiging van kinderbijslag zonder uitlooptermijn in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat hoewel eiser rechtmatig verbleef als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet, hij op grond van de AKW en het KB 164 geen aanspraak kon maken op kinderbijslag omdat hij niet in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid verrichtte.
De rechtbank onderzocht ook de toepassing van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko en het beginsel van non-discriminatie. Hoewel het onderscheid tussen Nederlanders en vreemdelingen gerechtvaardigd is ter uitvoering van het vreemdelingenbeleid, vond de rechtbank dat de volledige toepassing van dit onderscheid op eiser disproportioneel was. Daarom moest artikel 6, tweede lid, van de AKW buiten toepassing worden gelaten voor eiser.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van kinderbijslag wordt vernietigd wegens disproportionele toepassing van de regelgeving.