ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8046

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
2 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
SBR 00/2095 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 1:6 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake huisvestingsvergunning en ontruimingsbevel woonwagenstandplaats

Verzoekers hebben een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om geen huisvestingsvergunning te verlenen en tegen het ontruimingsbevel van de Officier van Justitie voor de woonwagenstandplaats Texel.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een bestuursrechtelijk besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot de weigering van de huisvestingsvergunning. De mededeling van illegale standplaatsinneming is een feitelijke constatering en het ontruimingsbevel is een strafrechtelijke maatregel die niet onder de bestuursrechter valt.

Daarnaast is de wettelijke beslistermijn voor het verzoek om een huisvestingsvergunning nog niet verstreken, zodat ook geen sprake is van een appellabel besluit wegens niet tijdig beslissen. Gezien deze omstandigheden is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat er geen spoedeisend belang bestaat.

De rechtbank ziet geen grond om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers. De uitspraak is mondeling gedaan door de fungerend president van de rechtbank Utrecht op 2 november 2000.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het ontruimingsbevel en de weigering van een huisvestingsvergunning is afgewezen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT
sector bestuursrecht
nr. SBR 00/2095 VV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
Verzoeker 1, verzoeker 2 en verzoeker 3, verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, verweerder.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Het verzoek heeft betrekking op een weigering van verweerder om aan verzoekers een huisvestingsvergunning te verstrekken en op het op 1 november 2000 gegeven bevel van de Officier van Justitie om de woonwagenstandplaats "Texel" te Utrecht voor 2 november 2000 om 12.00 uur, te ontruimen.
1.2 Het verzoek is op 2 november 2000 in een openbare zitting behandeld, waar verzoeker 1 in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P. van Doorn, ambtenaar der gemeente.
2. BESLISSING
Aan het slot van de behandeling van het verzoek heeft de president:
2.1 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
3. GRONDEN
3.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van ene bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing op de opsporing van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.
3.3 Geoordeeld wordt dat in het onderhavige geval geen besluit tot weigering van de gevraagde huisvestingsvergunning, en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, voorligt. In dat verband wordt opgemerkt dat de mededeling door de firma Broekhuizen en Wit aan het Openbaar Ministerie dat verzoekers illegaal standplaatsen hebben ingenomen op de woonwagenstandplaats "Texel", niet als een appellabel rechtsoordeel kan worden aangemerkt, maar moet worden gezien als de feitelijke mededeling dat verzoekers niet beschikken over een huisvestingsvergunning.
Voorts is in het onderhavige geval geen sprake van een bestuursdwangaanschrijving van de zijde van verweerder, maar van een ontruimingsbevel van de Officier van Justitie.
Dat ontruimingsbevel staat ingevolge het bepaalde in artikel 1:6 van Pro de Awb niet ter beoordeling van de bestuursrechter, aangezien het bevel in het kader van een strafrechtelijk traject is gegeven.
Tot slot kan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van het - ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb appellabele - niet tijdig van een besluit op het verzoek van verzoekers van 30 oktober 2000 om een huisvestingsvergunning heeft genomen, nu de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken.
3.4 Gezien het vorenoverwogene kan niet worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag of zich een situatie als bedoeld in artikel 26 van Pro de Huisvestingswet voordoet.
3.5 Gelet op het voorgaande zijn er geen termen aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening en is voorts geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.
De mondeling uitspraak is gewezen door mr. T. Dompeling, fungerend president, op
2 november 2000 in aanwezigheid van de griffier mr. R.C. Stijnen.
Aldus opgemaakt door de griffier.