ECLI:NL:RBSHE:2011:BP9495

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11-1019
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake verzoek ontheffing uitbreiding intensieve veehouderij

Verzoekster heeft bij de rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd om de gemeente te verplichten vóór 1 april 2011 ontheffing aan te vragen bij gedeputeerde staten van Noord-Brabant op grond van de Verordening ruimte Noord-Brabant, noodzakelijk voor de planologische medewerking aan de uitbreiding van haar intensieve veehouderij.

De voorzieningenrechter overwoog dat de weigering van de gemeente om een dergelijk verzoek in te dienen geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt. Dit volgt uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: BO3490), waarin is vastgesteld dat het besluit om een ander bestuursorgaan te verzoeken een besluit te nemen niet als een besluit kwalificeert.

Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij kennelijk onbevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en dat verzoekster zich tot de civiele rechter moet wenden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de weigering van de gemeente om ontheffing aan te vragen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 11/1019
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2011
inzake
[verzoekster],
te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde mr. J. van Groningen
tegen
de raad van de gemeente Bernheze,
verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 28 maart 2011 heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de - naar zij stelt - weigering om te besluiten bij de provincie Noord-Brabant ontheffing aan te vragen op grond van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (de Verordening) ten behoeve van de uitbreiding van een intensieve veehouderij. Tevens heeft zij bezwaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders tegen de weigering aan de raad voor te stellen om bij de provincie een aanvraag om ontheffing op grond van de Verordening in te dienen.
Bij brief van gelijke datum heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Krachtens artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter acht in dit geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt.
4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.
6. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instelling bij de rechtbank.
7. Het verzoek om voorlopige voorziening heeft betrekking op de gestelde weigering van verweerder om bij GS een ontheffing aan te vragen op grond van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Deze ontheffing is nodig om van gemeentewege planologische medewerking te kunnen verkrijgen voor de door verzoekster beoogde uitbreiding van de door haar geëxploiteerde intensieve veehouderij.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder vóór 1 april 2011 alsnog bij GS een ontheffing dient aan te vragen. Verzoekster heeft er op gewezen dat de betreffende aanvraag vóór deze datum moet zijn ingediend.
8. In haar uitspraak van 10 november 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BO3490" target="_blank">BO3490</a> heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State overwogen dat de beslissing van een bestuurorgaan om een ander orgaan te verzoeken een besluit te nemen zelf niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de weigering een dergelijk verzoek te doen evenmin het karakter van een besluit heeft. Gelet hierop is de voorzieningenrechter, anders dan hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 oktober 2010, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BN9603" target="_blank">BN9603</a>, thans van oordeel dat de beslissing om geen ontheffing aan te vragen als hier aan de orde, geen besluit is, zodat daartegen ingevolge artikel 7:1, eerste lid, en artikel 8:1, eerste lid, geen voorziening op grond van de Awb openstaat. De voorzieningenrechter is derhalve kennelijk onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
9. Verzoekster kan ter zake uitsluitend een vordering bij de civiele rechter indienen.
10. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
11. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.G.M. Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2011.
<HR>
<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>
Afschriften verzonden: