ECLI:NL:RBSHE:2010:BL8627

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/825668-09
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gewapende overval op juwelier in Eindhoven met geweld en bedreiging

Op 24 maart 2010 heeft de Rechtbank 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een gewapende overval op een juwelier in Eindhoven op 18 november 2009. De verdachte, geboren in 1991 en thans gedetineerd, heeft samen met anderen de juwelier overvallen, waarbij geweld is gebruikt tegen de eigenaren. De tenlastelegging omvatte diefstal met geweld, waarbij de slachtoffers met een vuurwapen en messen zijn bedreigd en verwond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het plan en actief heeft bijgedragen aan de uitvoering ervan. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 36 maanden, maar de rechtbank legde een straf op van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de slachtoffers, waaronder immateriële schade. De rechtbank overwoog dat de overval een ernstige impact had op de slachtoffers, die zowel fysiek als psychisch letsel hadden opgelopen. De verdachte werd schuldig bevonden aan medeplegen van de overval, waarbij de rechtbank rekening hield met zijn jeugdige leeftijd en de omstandigheden van de zaak.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/825668-09
Datum uitspraak: 24 maart 2010
Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 maart 2010.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 februari 2010. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 maart 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):
hij op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een of meerdere ring(en) en/of een rol met ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam juwelier] en/of [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)
die [slachtoffer2] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer2] en/of (daarbij/vervolgens) die [slachtoffer2] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer2] niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of
strekking en/of die [slachtoffer1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer1] met voornoemd
vuurwapen heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer messen, althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), (in zijn lichaam)
heeft/hebben gestoken en/of (daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer1] heeft/hebben dichtgeknepen en/of dichtgehouden;
(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte6] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5], althans een of meer andere personen op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een of meerdere ring(en) en/of een rol met ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam juwelier] en/of [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte6] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5], althans een of meer andere personen en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat voornoemde personen
die [slachtoffer2] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer2] en/of (daarbij/vervolgens) die [slachtoffer2] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer2] niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of
strekking en/of die [slachtoffer1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer1] met voornoemd
vuurwapen heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer messen, althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), (in zijn lichaam)
heeft/hebben gestoken en/of (daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer1] heeft/hebben dichtgeknepen en/of dichtgehouden,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door zich op te houden in de nabijheid van de plaats van het misdrijf teneinde [medeverdachte6] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5], althans een of meer andere personen bij gevaar en/of onraad te
waarschuwen en/of op de uitkijk te staan en/of ervoor te zorgen dat het zicht op de overval/juwelier aan (een) andere perso(o)n(en) werd ontnomen en/of tie-rips en/of tape en/of een telefoon ter beschikking gesteld;
(artikel 312 jo 48 Wetboek van Strafrecht).
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Vaststaande feiten.
Op 18 november 2009 is juwelier [naam juwelier] aan [adres juwelier] te Eindhoven overvallen. Bij deze overal is geweld toegepast op de eigenaren [slachtoffer2] en [slachtoffer1] en hebben de daders een horloge, ringen en kettingen weggenomen.1
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair aan verdachte tenlastegelegde feit bewezen. Verdachte was op de hoogte van het plan, is meegegaan naar de plaats van de overval en heeft zich aldaar niet gedistantieerd. Verdachte heeft meegedeeld in de buit. Verdachtes rol is dusdanig groot geweest dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde geweld, omdat hij geen opzet had op het fysieke geweld dat is toegepast. Bovendien heeft verdachte zich gedistantieerd van de overval. Toen het plan werd omgegooid en hij ter plaatse zag dat het misging, is hij weggelopen. Volgens de raadsman is evenmin sprake van medeplegen, omdat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op de geringe rol van verdachte kan hij slechts als medeplichtige worden aangemerkt.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt het volgende vast.
Plan
Nadat begin 2009 bij verdachte [medeverdachte1] (door zijn medeverdachten ook wel [medeverdachte1] genoemd) het idee ontstond een overval te plegen op [naam juwelier], heeft hij eind oktober 2009 het plan weer opgepakt en heeft hij een analyse gemaakt van de omgeving en de benodigdheden om de overval te plegen2. Verdachte [medeverdachte1] heeft vervolgens anderen, waaronder verdachten [verdachte], [medeverdachte6] en [medeverdachte2] benaderd om de overval samen te plegen3. Verdachte [verdachte] heeft daarna [medeverdachte3] benaderd, omdat verdachte [medeverdachte1] iemand voor de overval zocht met een rijbewijs en een auto4. Verdachte [medeverdachte3] heeft vervolgens verdachte [medeverdachte5] (door zijn medeverdachten ook wel Moes genoemd) benaderd5. Allen stemden in.
Het plan luidde als volgt.
Verdachte [medeverdachte4] zou zich voordoen als klant. Hij zou met een horloge, dat hij hiervoor van verdachte [medeverdachte1] had gekregen, naar [naam juwelier] gaan om een nieuw horlogebandje te laten aanbrengen6. Eenmaal in de winkel zou hij een sms versturen naar verdachten buiten de winkel om te laten weten dat ze konden binnenkomen, waarna hij door hen zogenaamd zou worden bedreigd met een vuurwapen of een mes7.
Vervolgens zouden verdachten [medeverdachte2], [medeverdachte5] en [medeverdachte6] [naam juwelier] binnengaan. Verdachte [medeverdachte2] had de taak de eigenaren met een (ongeladen) pistool te bedreigen8. Verdachte [medeverdachte6] had de taak de vrouw tegen en stil te houden9. Verdachte [medeverdachte5] had de taak verdachte [medeverdachte4] zogenaamd te bedreigen10.
Verdachten [medeverdachte1] en [verdachte] zouden voor het raam van [naam juwelier] gaan staan, zodat niemand naar binnen kon kijken11.
Verdachte [medeverdachte3] zou verdachten [medeverdachte1] en [verdachte] afzetten en vervolgens in de auto wachten op de parkeerplaats achter de juwelier12. Voorts acht de rechtbank, gezien de plaats en het plan om via de achterdeur van [naam juwelier] de winkel te verlaten, aannemelijk dat de auto van [medeverdachte3] tevens zou worden gebruikt als vluchtauto dan wel om de buit te vervoeren. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van verdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte2] inhoudende respectievelijk dat de spullen in de auto zouden worden geladen en dat verdachte [medeverdachte3] klaar zou staan om hem en de verdachten [medeverdachte6] en [medeverdachte5] weg te brengen13 14.
Verdachten [medeverdachte2], [medeverdachte6] en [medeverdachte5] moesten de eigenaren onder bedreiging van een mes en een (ongeladen) pistool overmeesteren, deze mensen vastbinden met tie-rips dan wel tape, de rolluiken dicht doen, goud en geld (uit de kluis) meenemen, via de achterdeur naar buiten gaan en de spullen inladen in de auto15.
Meer in het bijzonder acht de rechtbank de volgende verklaringen van belang. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat verdachte [medeverdachte6] de vrouw van de juwelier bij de mond zou pakken, zodat zij niets meer kon zeggen, dat de derde persoon de mond van de vrouw zou dicht tapen en dat verdachte [medeverdachte2] onder bedreiging van een (ongeladen) vuurwapen de juwelier zou dwingen om de kluis te openen.16
Verdachte [medeverdachte4] heeft verklaard dat hij wist dat een (ongeladen) wapen, een mes en tie-rips zouden worden gebruikt, dat verdachte [medeverdachte2] de vrouw onder schot zou houden, dat verdachte [medeverdachte6] de vrouw in bedwang zou houden, dat verdachte [medeverdachte5] de man onder controle zou brengen en dat de eigenaren zouden worden vastgebonden.17
Verdachte [medeverdachte2] heeft verklaard dat hij wist dat verdachten [medeverdachte5] en [medeverdachte6] een mes bij zich hadden, dat hij de juwelier zou bedreigen met een (ongeladen) pistool, dat verdachte [medeverdachte6] de vrouw voor zijn rekening zou nemen, dat beiden vervolgens zouden worden getaped.18
Verdachte [medeverdachte6] heeft verklaard dat een (ongeladen) vuurwapen zou worden gebruikt om de eigenaren in bedwang te houden, dat zij de eigenaren moesten aanpakken en bedreigen en heel de juwelier leeghalen19.
Verdachte [medeverdachte3] heeft verklaard dat verdachte [medeverdachte5] een mes had meegenomen, dat verdachte [medeverdachte2] een (ongeladen) pistool had om de juwelier onder schot te houden, dat verdachte [medeverdachte6] de vrouw met zijn forse lichaam in bedwang moest houden, dat verdachte [medeverdachte6] (voor de zekerheid) wel een mes bij zich had en dat is gesproken over het vastbinden van de eigenaren met tape20.
Alle verdachten zouden delen in de buit. Uit de onderscheidenlijke verklaringen van de verdachten blijkt dat [medeverdachte3] € 5.000,- zou ontvangen21, [verdachte] € 5.000,-22, [medeverdachte6] € 5.000,-23, [medeverdachte2] € 5.000,-24 en [medeverdachte4] € 10.000,-25.
Verdachte [medeverdachte1] heeft de andere verdachten eerst gezamenlijk bijgepraat en later apart instructies gegeven26.
Uitvoering
Op 18 november 2009 zijn de verdachten vanuit de woning waar verdachte [medeverdachte1] verbleef ('de studio') naar [naam juwelier] gegaan. Verdachten [medeverdachte3] en [verdachte] en [medeverdachte1] met de auto en de rest van de verdachten te voet27. De auto is geparkeerd op de parkeerplaats achter de [naam juwelier]. Verdachte [medeverdachte3] is in de auto achtergebleven en verdachten [verdachte] en [medeverdachte1] zijn richting [naam juwelier] gelopen28. Voor [naam juwelier] troffen zij de verdachten [medeverdachte2], [medeverdachte4], [medeverdachte6] en [medeverdachte5]29.
Vervolgens is verdachte [medeverdachte4] [naam juwelier] binnengegaan, heeft gevraagd naar een horloge bandje en kettingen en heeft een sms verstuurd naar zijn medeverdachten om door te geven dat ze naar binnen konden gaan30.
Hierop zijn verdachten [medeverdachte6], [medeverdachte2] en [medeverdachte5] [naam juwelier] binnengegaan31. Verdachten [medeverdachte6] en [medeverdachte5] hadden ieder een mes32 en verdachte [medeverdachte2] had een (ongeladen) pistool33. In [naam juwelier] hebben zich verschillende worstelingen voorgedaan.
[slachtoffer2] heeft verklaard dat zij door een overvaller bij haar nek is vastgepakt en is vastgehouden, dat een overvaller een vuurwapen op haar hoofd heeft gericht en gericht gehouden, dat een overvaller haar heeft geduwd, geslagen en gestompt en dat door een van de overvallers tegen haar is gezegd dat 'hij zou schieten als zij niet rustig zou blijven'34. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, mede gezien de verklaringen over de gang van zaken binnen in de winkel van verdachten [medeverdachte2]35 en [medeverdachte6]36 inhoudende dat eerst verdachte [medeverdachte6] [slachtoffer2] heeft vastgepakt en later verdachte [medeverdachte2] en dat verdachte [medeverdachte2] een (ongeladen) pistool bij zich had en tegen het hoofd van de vrouw heeft gehouden en heeft gezegd dat ze rustig moest blijven.
[slachtoffer1] heeft verklaard dat twee mannen zijn zaak binnenkwamen, dat zij hun gezicht bedekt hadden en dat ze wapens bij zich hadden. Hij zag dat ze een vuurwapen op hem richtten. Hij is door twee mannen aangevallen. Zij hebben hem geslagen, zijn keel dichtgeknepen en hem met een mes gestoken. Een man ging op hem liggen en begon in zijn linkerarm te steken. Hij pakte diens rechterhand met daarin het mes vast. Deze man kneep zijn keel dicht. Vervolgens heeft de andere man hem gestoken.37 De verklaring van [slachtoffer1] wordt ondersteund door verschillende verklaringen van de verdachten. Verdachte [medeverdachte2] heeft verklaard dat hij de juwelier heeft geslagen, dat [medeverdachte5] met de juwelier in gevecht was en dat hij heeft gezien dat [medeverdachte5] de juwelier heeft gestoken met een mes38. [medeverdachte3]39, [verdachte]40 en [medeverdachte1]41 hoorden na de overval van medeverdachte [medeverdachte5] dat hij de juwelier verschillende keren had gestoken. Uit de medische verklaring blijkt dat aan [slachtoffer1] steekwonden zijn toegebracht onder andere in de buikstreek, op het boven- en onderbeen, op de rug, elleboog en heup. Ook worden wurgtekenen op de hals geconstateerd42. De behandelend geneesheer heeft verklaard dat [slachtoffer1] een operatie heeft moeten ondergaan, dat hij twee weken op de intensive care heeft gelegen en dat hij voor verder herstel enige tijd in het ziekenhuis heeft moeten verblijven43.
Gelet op de verklaring van [slachtoffer1] acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer1] door twee personen, waaronder verdachte [medeverdachte5], is gestoken. De rechtbank heeft niet vast kunnen stellen wie die tweede man is geweest. Verdachte [medeverdachte6] had een mes en uit het signalement dat [slachtoffer2] geeft over de tweede man zou kunnen worden afgeleid dat ook verdachte [medeverdachte6] met haar man heeft gevochten44. Verdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte6] ontkennen dit echter. Verdachte [medeverdachte2] heeft wel met de man gevochten, maar vast staat dat hij geen mes bij zich had. Verdachte [medeverdachte5] heeft geen verklaring afgelegd. Hij is niet gehoord omdat hij, zo blijkt uit de verklaring van de officier van justitie, voortvluchtig is.
Verdachte [medeverdachte6] en verdachte [medeverdachte2] hebben een horloge, ringen en kettingen weggenomen45. Verdachte [medeverdachte4] heeft tijdens de overval in de winkel op de grond gelegen46. Vervolgens zijn alle verdachten de winkel uitgevlucht.
Verdachten [verdachte] en [medeverdachte1] zijn nadat verdachten [medeverdachte2], [medeverdachte6] en [medeverdachte5] in de winkel waren, naar de winkel gelopen. Zij hebben gezien wat zich binnen in de winkel heeft afgespeeld en zijn toen zij zagen dat het fout ging naar verdachte [medeverdachte3] gegaan en zijn in zijn auto weggereden47.
Verdeling van de buit
Verdachte [verdachte] heeft voor zijn aandeel in de overval € 400,- van verdachte [medeverdachte1] gekregen waarvan hij de helft moest geven en heeft gegeven aan verdachte [medeverdachte3]48.
Verdachte [medeverdachte3] heeft voor zijn aandeel in de overval € 200,- ontvangen49.
Verdachte [medeverdachte2] heeft voor zijn aandeel in de overval € 50,- van verdachte [medeverdachte1] gekregen en een horloge ter waarde van € 239,- 50.
Verdachte [medeverdachte6] heeft verklaard een deel van de door hem weggenomen goederen op zijn vlucht te hebben verloren en de ring te hebben verkocht51.
Verdachte [medeverdachte4] heeft voor zijn aandeel in de overval, hoewel hem dat wel is toegezegd, geen geld ontvangen52.
Strekt de opzet zich ook uit tot de geweldshandelingen?
Met betrekking tot het verweer dat het opzet van verdachte niet was gericht op het tenlastegelegde geweld overweegt de rechtbank als volgt.
In zijn algemeenheid geldt dat bij een roofoverval op een winkel op voorhand niet duidelijk is hoe de reactie zal zijn van de personen die zich in de winkel bevinden. Ook is niet te voorspellen hoe de daders zich in deze spanningsvolle en veelal chaotische situatie reageren. Ook al wordt van te voren afgesproken dat geen geweld zal worden gebruikt dan nog bestaat de aanmerkelijke kans dat geweld wordt toegepast en dat de meegebrachte wapens daadwerkelijk worden gebruikt.
Uit de feiten die hiervoor zijn weergegeven volgt naar het oordeel van de rechtbank dat alle verdachten op de hoogte waren van het feit dat bij de overval gebruik zou worden gemaakt van een (ongeladen) pistool en messen om de eigenaren van [naam juwelier] te bedreigen, alsook dat zij moesten worden vastgebonden en onder controle gehouden. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat verdachten welbewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat geweld tegen de eigenaren van [naam juwelier] zou worden gebruikt. Dat vooraf zou zijn afgesproken dat geen geweld zou worden toegepast en dat verdachte (wellicht) om die reden heeft meegedaan aan de overval, maakt het voorgaande niet anders, aangezien dit geweld voor allen voorzienbaar was gelet op het doel waarvoor de wapens werden meegenomen en de mogelijkheid van verzet van de juwelier en zijn vrouw waarmee zij rekening hebben moeten houden. Ter zitting heeft verdachte weliswaar ontkend geweten te hebben dat er wapens zouden worden gebruikt, maar tegenover de politie heeft hij dat wel verklaard. De rechtbank houdt hem aan die verklaringen nu die overeenkomen met die van de andere verdachten en hij geen aannemelijke reden heeft opgegeven voor het intrekken van zijn verklaringen op dit punt.
Medeplegen of medeplichtigheid?
De raadsman heeft aangevoerd dat gelet op de ondergeschikte rol van verdachte geen sprake is van medeplegen maar hooguit van medeplichtigheid.
De rechtbank verwerpt onder verwijzing naar bovenstaande bewijsmiddelen dit verweer.
Verdachte is actief betrokken geweest bij het beramen van de plannen. Hij heeft er voor gezorgd dat zijn broer [medeverdachte3] aan de roofoverval heeft deelgenomen. Hij had een taak bij de uitvoering van de overval. Hij zou samen met anderen de overval in de winkel aan het oog onttrekken van voorbijgangers. Pas toen hij zag dat de overval uit de hand liep heeft hij zich van de winkel verwijderd. Verdachte zou een aanzienlijke som geld ontvangen voor zijn bijdrage en heeft uiteindelijk ook daadwerkelijk gedeeld in de opbrengst.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met deze handelingen een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de overval.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de bewezenverklaring dat verdachte de roofoverval op de juwelier heeft medegepleegd.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
op 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en ringen en kettingen, toebehorende aan [naam juwelier] en/of [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1] en [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders
die [slachtoffer2] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en een vuurwapen gericht en
gericht hebben gehouden op het hoofd van die [slachtoffer2] en die [slachtoffer2] hebben geduwd en geslagen en gestompt en de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer2]
niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
die [slachtoffer1] een vuurwapen hebben getoond en die [slachtoffer1] meermalen met een mes in zijn lichaam hebben gestoken en de keel van die [slachtoffer1] hebben dichtgeknepen en dichtgehouden.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
De strafbaarheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde geëist:
- een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht;
- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] tot een bedrag van € 2.500,- ter zake immateriële schade, het overig gevorderde niet-ontvankelijk, voor welk bedrag verdachte hoofdelijk aansprakelijk is, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] tot een bedrag van € 5.130,- (€ 5.000,- immateriële schade en € 130,- materiële schade), het overig gevorderde niet-ontvankelijk, voor welk bedrag verdachte hoofdelijk aansprakelijk is, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- gehele toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [naam juwelier] v.o.f. voor een bedrag van € 1.892,-, voor welk bedrag verdachte hoofdelijk aansprakelijk is, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd met een gematigd onvoorwaardelijk deel en een groot voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht.
De op te leggen straf en maatregelen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij tezamen met zijn medeverdachten uit puur winstbejag een brutale overval heeft gepleegd waarbij vooral tegen [slachtoffer1] op een buitensporige wijze geweld is toegepast door hem meermalen met een mes te steken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de overval een zeer traumatische ervaring is geweest voor beide slachtoffers en een grote impact heeft gehad op het leven van de slachtoffers en op hun gezin. [slachtoffer1] ondervindt nog dagelijks de fysieke gevolgen van het toegebrachte letsel. Hij is nog steeds niet in staat zijn werk in zijn zaak te hervatten. Ook [slachtoffer2] heeft uiteengezet dat zij aan de overval nekletsel en psychische problemen heeft overgehouden en waarvoor zij respectievelijk nog steeds pijnstillers slikt en onder behandeling is bij een psycholoog. Verdachte heeft zich in het geheel niet bekommerd om het lot en het leed van de eigenaren van [naam juwelier]. Strafverzwarend is bovendien dat aan de overval een periode van voorbereiding is voorafgegaan, dat verdachte de overval in georganiseerd verband heeft gepleegd en willens en wetens overeenkomstig een vooropgezet plan zijn rol heeft vervuld. De overval heeft voorts grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap. Het kennelijke gemak waarmee verdachte en zijn medeverdachten tot het plegen van deze overval zijn overgegaan is zorgwekkend en roept binnen de maatschappij gevoelens van onveiligheid op.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds als strafmatigend in het bijzonder rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van dit feit, te weten 18 jaar, en de omstandigheid dat verdachte niet de winkel mee is binnen gegaan en zelf geen fysiek geweld heeft gebruikt bij de overval.
De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.
Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dit deel van deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].
De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft een civiele vordering ingediend voor een totaalbedrag van € 2.635,-, bestaande uit € 135,- voor een broek en een tuniek en € 2.500,- aan immateriële schade.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de immateriële schade en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ten aanzien van materiële schade, omdat dit deel van de vordering niet voldoende duidelijk en eenvoudig van aard is voor een behandeling in het strafproces.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat verzocht wordt het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank acht, gezien het toegepaste geweld en de gevolgen die dit voor [slachtoffer2] heeft (gehad) voldoende aannemelijk dat [slachtoffer2] de gevorderde schade heeft geleden.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].
De benadeelde partij [slachtoffer1] heeft een civiele vordering ingediend voor een totaalbedrag van € 9.679,66,-, bestaande uit € 15,- voor een overhemd, € 100,- voor een pantalon, € 15,- voor ondergoed, € 200,- voor schoenen, € 849,66 voor kosten van rechtsbijstand en € 8.500,- aan immateriële schade.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,-, toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van € 130,- met uitzondering van de schoenen ten aanzien waarvan de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand, omdat dit deel van de vordering niet voldoende duidelijk en eenvoudig van aard is voor een behandeling in het strafproces.
De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Tevens wordt verzocht het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schade € 5.000,- en materiële schade de post overhemd, pantalon, ondergoed en schoenen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank acht, gezien het toegepaste geweld en de gevolgen die dit voor [slachtoffer1] heeft (gehad) voldoende aannemelijk dat [slachtoffer1] de gevorderde schade heeft geleden.
Met betrekking tot de gevorderde kosten van rechtsbijstand is de rechtbank van oordeel dat weliswaar een factuur is overgelegd, maar dat, mede gezien de hoogte van de factuur en het feit dat de huidige advocaat van [slachtoffer1] procedeert op basis van een toevoeging, niet voldoende duidelijk is geworden waaruit deze werkzaamheden hebben bestaan. Om die reden is de vordering in zoverre niet eenvoudig van aard.
Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de overige onderdelen van de vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding, te weten de kosten voor rechtsbijstand en de immateriële schade voor zo ver deze het bedrag van € 5.000,- te boven gaat.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De vordering van de benadeelde partij [naam juwelier].
De benadeelde partij [naam juwelier] v.o.f. heeft een civiele vordering ingediend voor een bedrag van € 1.892,38,-, bestaande uit € 1.500,- voor eigen risico schadeverzekering en € 392,38 voor een no-claim bonus.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de kosten van het eigen risico ten aanzien waarvan de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Zowel het eigen risico als het mislopen van de no-claim bonus zijn naar het oordeel van de rechtbank het directe gevolg van de overval. Dat het eigen risico ingevolge de verzekeringspolis niet van toepassing zou zijn acht de rechtbank niet aannemelijk, omdat een dergelijke gebeurtenis zich hier niet voordoet.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partijen hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
primair
Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:
T.a.v. primair:
Gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
en de bijzondere voorwaarde:
dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt dat veroordeelde deel dient te nemen aan een COVA-training en/of een ArVa-training.
Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.
Maatregel van schadevergoeding van EUR 2635,00 subsidiair 36 dagen hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], van een bedrag van EUR 2.635,- (zegge: tweeduizendzeshonderdenvijfendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 2.500,- immateriële schade en EUR 135,- materiële schade (post broek en tuniek).
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer2] van een bedrag van EUR 2.635,- (zegge: tweeduizendzeshonderdenvijfendertig euro), te weten EUR 2.500,- immateriële schade en EUR 135,- materiële schade (post broek en tuniek).
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding van EUR 5330,00 subsidiair 61 dagen hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 5.330,- (zegge: vijfduizenddriehonderdendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 5.000,- immateriële schade en EUR 330,- materiële schade (post overhemd, pantalon, ondergoed, schoenen).
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 5.330,- (zegge: vijfduizenddriehonderdendertig euro), te weten EUR 5.000,- immateriële schade en EUR 330,- materiële schade (post overhemd, pantalon, ondergoed, schoenen).
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, te weten de kosten voor rechtsbijstand en het overige gevorderde aan immateriële schade, niet ontvankelijk is.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader (s) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding van EUR 1892,38 subsidiair 28 dagen hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam juwelier] v.o.f., van een bedrag van EUR 1.892,38 (zegge: eenduizendachthonderdentweeënnegentig euro en achtendertig cent), ter zake materiële schade (post eigen risico schadeverzekering en no-claim bonus), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam juwelier] v.o.f. van een bedrag van EUR 1.892,38 (zegge: eenduizendachthonderdentweeënnegentig euro en achtendertig cent), ter zake materiële schade (post eigen risico schadeverzekering en no-claim bonus).
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. A. Venekamp, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,
en is uitgesproken op 24 maart 2010.
1 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer2], proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, met dossiernummer PL2200/2009.192908, afgesloten en ondertekend op 5 februari 2010 (hierna verder genoemd: PV), p. 476 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer1], PV, p. 505.
2 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte1], PV, p. 764.
3 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 830, verklaring van medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 873.
4 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 663.
5 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 873, verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 933.
6 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 december 2010.
7 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 919 en 938.
8 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 874.
9 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826.
10 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 875 en verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 660.
11 Verklaring verdachte, PV, p. 693.
12 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 660.
13 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 919.
14 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 875.
15 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 919 en 937, verklaring verdachte, PV, p. 693, verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 874 en 875, verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826, verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 671.
16 Verklaring verdachte, PV, p. 693.
17 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 919 en 937.
18 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 874 en 875.
19 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826, 829.
20 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 670 en 671.
21 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 663.
22 Verklaring verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 december 2009.
23 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826.
24 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 december 2009.
25 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 916.
26 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 874, verklaring medeverdachte [medeverdachte1], PV, p. 765 en verklaring verdachte, PV, p. 707.
27 Verklaring verdachte, PV, p. 693.
28 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 658 en verklaring verdachte, PV, p. 693.
29 Verklaring verdachte, PV, p. 693.
30 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 938.
31 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826 en verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 876.
32 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 937 en verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 875.
33 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 876.
34 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer2], PV, p. 477, 478 en 479.
35 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 876.
36 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 826 en 833.
37 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer1], PV, p. 507.
38 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 876.
39 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 672.
40 Verklaring verdachte, PV, p. 708.
41 Verklaring medeverdachte [medeverdachte1], PV, p. 803.
42 Aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer1] d.d. 9 december 2009, PV, p. 511.
43 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige1], opgemaakt, gesloten en ondertekend door [naam hoofdagent], hoofdagent, Gezamenlijke Recherche Eindhoven op 9 maart 2010.
44 Verklaring getuige [slachtoffer2], PV, p. 487.
45 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 877 en verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 830.
46 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 921.
47 Verklaring verdachte, PV, p. 708 en verklaring medeverdachte [medeverdachte1], PV, p. 749.
48 Verklaring verdachte, PV, p. 718 en verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 658 en 660.
49 Verklaring medeverdachte [medeverdachte3], PV, p. 672.
50 Verklaring medeverdachte [medeverdachte2], PV, p. 878.
51 Verklaring medeverdachte [medeverdachte6], PV, p. 830.
52 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4], PV, p. 933.
??
??
18
Parketnummer: 01/825668-09
[verdachte]