ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ6685
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter wijst bijstandsuitkering toe ondanks gezamenlijke huishouding ex-echtgenoten
Verzoeker, die in oktober 2005 een zware longoperatie onderging en daarna noodgedwongen bij zijn ex-echtgenote ging wonen, vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 14 oktober 2005. Verweerder wees de aanvraag af op grond van het vermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, onder b van de WWB, vanwege het feit dat verzoeker en zijn ex-echtgenote hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en uit hun huwelijk kinderen waren geboren.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het CWI niet voldeed aan de verplichting om verzoeker in staat te stellen zijn aanvraag in te dienen, waardoor verzoeker werd benadeeld. Tevens oordeelde de rechter dat er geen temporele werking geldt voor artikel 3, vierde lid, onder b van de WWB, zoals verzoeker had aangevoerd.
Desondanks erkende de voorzieningenrechter dat er zeer dringende redenen waren om bijstand toe te kennen, gezien de ernstige ziekte van verzoeker, het ontbreken van woonruimte en de noodzaak van verzorging. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij de bijstand vanaf 18 december 2006 moet worden verstrekt tot zes weken na hernieuwde beslissing op bezwaar.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige procedurele behandeling en het wegen van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van de WWB.
Uitkomst: Verzoeker krijgt bijstand toegekend vanaf 18 december 2006 vanwege zeer dringende redenen ondanks vermoeden gezamenlijke huishouding.