ECLI:NL:RBSHE:2004:AR6310
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.J. de Lange
- P.H.C.M. Schoemaker
- L.C. Michon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mandaat en gedoogplicht oplegging op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 februari 2003 waarbij hen een gedoogplicht werd opgelegd voor de aanleg en instandhouding van een hoogspanningsverbinding op hun onroerende zaak. Verweerder heeft het bezwaar deels kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank heeft onderzocht of de oplegging van de gedoogplicht en de beslissing op bezwaar rechtsgeldig zijn genomen door bevoegde functionarissen. Uit de gedingstukken blijkt dat de bevoegdheid is gemandateerd aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en ondermandaat is verleend aan het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische zaken. De rechtbank oordeelt dat deze mandaatverlening niet in strijd is met de aard of inhoud van de bevoegdheid, ook al betreft het een inbreuk op eigendomsrecht.
Verder is vastgesteld dat het besluit en de ondertekening voldoen aan de eisen van het Besluit mandaat Verkeer en Waterstaat en het Besluit mandaat Rijkswaterstaat. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van eisers, behoudens de mandaatsgrieven, geen andere toetsingsgronden bevat dan die van artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet, welke reeds door het gerechtshof zijn behandeld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de gedoogplicht en de daaropvolgende beslissing op bezwaar. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de gedoogplicht wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.