ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8785

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
9 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/28021
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Sipkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring met zicht op uitzetting naar Zuid-Soedan

Eiser is sinds februari 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel en vordert opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank beoordeelt of de voortgezette vrijheidsontneming gerechtvaardigd is. Verweerder heeft toegelicht dat sinds november 2011 zeven aanvragen voor laissez-passer (LP) bij de Zuid-Soedanese autoriteiten zijn ingediend, waarvan vier presentaties in persoon hebben plaatsgevonden, maar nog geen LP’s zijn afgegeven. De rechtbank oordeelt dat deze periode nog niet lang genoeg is om het zicht op uitzetting te ontkennen en dat eiser onvoldoende actief meewerkt.

Eiser stelt dat zonder recente afgegeven LP’s geen zicht op verwijdering bestaat, maar de rechtbank volgt dit niet. Ook het verwijt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld wordt verworpen, aangezien regelmatig contact en rappelleren heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet geen grond om de vrijheidsontnemende maatregel te beëindigen of schadevergoeding toe te kennen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 12/28021
V-nr: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [1966], van (gestelde Zuid-Soedanese) nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Procesverloop
Op 11 februari 2012 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 3 september 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 13 september 2012. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft bij brief van 25 september nadere informatie overgelegd. Eiser heeft daar bij brief van 27 september 2012 op gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.
Overwegingen
1. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoor¬delen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat volgens hem volstrekt onduidelijk is of er uitgezet kan worden naar Zuid-Soedan.
2.1 In de brief van 25 september 2012 heeft verweerder uiteengezet dat sinds november 2011 zeven LP-aanvragen zijn ingediend bij de Zuid-Soedanese autoriteiten in Brussel. In alle gevallen ging het om ongedocumenteerde vreemdelingen. Er hebben vier presentaties in persoon plaatsgevonden, welke allen het resultaat hebben gehad dat de gestelde nationaliteit niet bevestigd kon worden. In de overige drie zaken hebben nog geen presentaties in persoon plaatsgevonden. Tot op heden zijn er nog geen LP’s afgegeven. Verweerder heeft betoogd dat uit het geringe aantal LP-aanvragen en de omstandigheid dat de gepresenteerde zaken tot nu toe niet hebben geleid tot een positieve identificatie, niet de conclusie kan worden getrokken dat er geen sprake is van zicht op uitzetting. De Zuid-Soedanese autoriteiten nemen de aanvragen in behandeling waarbij de betrokken vreemdeling gepresenteerd kan worden, aldus verweerder.
2.2 Eiser heeft in reactie hierop gesteld dat voor een algeheel zicht op verwijdering vereist is dat in elk geval in een recent verleden enkele LP’s moeten zijn verstrekt en dat duidelijk dient te zijn onder welke omstandigheden dit is gebeurd. Sinds de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan op 9 juli 2011 zijn er geen LP’s afgegeven zodat er geen zicht is op verwijdering, aldus eiser.
2.3 De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. De rechtbank acht daarbij van overwegend belang dat de Zuid-Soedanese autoriteiten sinds november 2011 zeven LP-aanvragen in behandeling hebben genomen en dat vier presentaties in persoon hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank duurt de periode verstreken sinds november 2011 nog niet zo lang dat geconcludeerd moet worden dat er geen zicht op uitzetting is. Dat de vier presentaties niet tot bevestiging van de gestelde nationaliteit hebben geleid en dat drie zaken nog in afwachting zijn van presentatie, maakt dat niet anders. De rechtbank acht daarnaast van belang dat eiser zich onvoldoende actief meewerkend heeft opgesteld. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het zicht op uitzetting daarmee in beginsel gegeven. De rechtbank sluit niet uit dat met een actieve medewerking van eiser, eiser uitzetbaar is naar zijn land van herkomst.
3. Eiser heeft in beroep eveneens aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank volgt eiser daarin evenmin. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 1 juni 2012 een LP-aanvraag is ingediend bij de Zuid-Soedanese autoriteiten en dat verweerder sindsdien regelmatig heeft gerappelleerd. De rechtbank gaat er wel van uit dat verweerder bij een eventueel volgend beroep meer informatie kan verschaffen over een presentatie in persoon.
4. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Sipkens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2012