ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9563
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag minderjarige familieleden partner EU-burger bevestigd ondanks procedurefouten
Eiseressen hebben in september 2011 een aanvraag ingediend voor een inreisvisum als minderjarige familieleden van een partner van een EU-burger. Verweerder wees deze aanvragen in december 2011 af en handhaafde deze beslissing in bezwaar. Eiseressen stelden dat de richtlijn 2004/38/EG op hen van toepassing was en dat zij wel degelijk kinderen van de referent waren, terwijl verweerder stelde dat zij niet voldeden aan het middelenvereiste en niet als rechtstreekse bloedverwanten konden worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de richtlijn 2004/38/EG wel degelijk relevant is en dat de Nederlandse wetgeving deze richtlijn implementeert, maar dat eiseressen niet konden aantonen dat zij rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van de referent waren. De geboorteaktes vertoonden tegenstrijdigheden en onduidelijkheden, en er werd geen DNA-onderzoek uitgevoerd ondanks voldoende gelegenheid.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder terecht oordeelde dat de aanvragen konden worden afgewezen op grond van het risico dat tijdige terugkeer niet gewaarborgd was. Hoewel een deel van de motivering onjuist was, droegen de overige overwegingen de afwijzing rechtens. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van het motiveringsvereiste, liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit wegens gebrekkige motivering maar handhaaft de afwijzing van de visumaanvragen.