ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6140
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning
Eiser, van Turkse nationaliteit, werd geconfronteerd met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en een ongewenstverklaring door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Hij stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ging om de intrekking en weigering van verlenging van zijn verblijfsvergunning, omdat eiser geen procesbelang had zolang de ongewenstverklaring van kracht was.
Eiser deed een beroep op artikelen 6, 7 en 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, betreffende de ontwikkeling van de associatie. De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechten kon ontlenen aan deze artikelen, omdat hij niet had aangetoond dat hij voldeed aan de voorwaarden, zoals het langdurig verrichten van legale arbeid of het zijn van gezinslid van een werknemer die tot de legale arbeidsmarkt behoort.
Verder stelde eiser dat de toepassing van de glijdende schaal in het kader van de ongewenstverklaring in strijd was met artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat eiser al jaren in Nederland woonde zonder gebruik te maken van het vrije verkeer van werknemers. Ook werd vastgesteld dat eiser vanaf 6 april 2006 niet meer rechtmatig verbleef, omdat hij en zijn echtgenote niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
Ten slotte werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro verworpen, omdat de inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd was ter bescherming van de openbare orde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor zover het zag op de ongewenstverklaring en niet-ontvankelijk voor het deel over de verblijfsvergunning.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard voor de ongewenstverklaring en niet-ontvankelijk voor het deel over de verblijfsvergunning.