Uitspraak
(gemachtigde: [A]),
Rechtbank 's-Gravenhage
Eiser exploiteerde een glashandel in een pand waarvan verschillende delen verschillend werden gebruikt: een deel voor de onderneming, een deel verhuurd en de bovenverdieping als woonruimte. De vraag was welk deel van het pand als ondernemingsvermogen moest worden aangemerkt en in welk jaar de onderneming was gestaakt.
De rechtbank stelt vast dat de onderneming in 2005 is gestaakt, mede gelet op de overdracht aan de zoon per 1 januari 2006 en het huurcontract dat daarop volgde. De bovenverdieping wordt als privévermogen aangemerkt omdat deze uitsluitend voor woonruimte werd gebruikt en zelfstandig rendabel te maken is. De kelder is eveneens privévermogen omdat deze vooral voor het woongedeelte werd gebruikt.
Het verhuurde gedeelte en de keuken worden als ondernemingsvermogen beschouwd, omdat deze zelfstandig rendabel zijn en het pand voor de bedrijfsuitoefening is aangeschaft. De stakingswinst wordt berekend over het ondernemingsdeel van het pand. De aanslag inkomstenbelasting en de opgelegde verzuimboete worden door de rechtbank bevestigd, en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting inclusief verzuimboete wordt gehandhaafd.