ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9071
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Vordering tot opheffing strafrechtelijk beslag op bestelauto afgewezen
Eiser vordert in kort geding dat de Staat wordt verboden de executoriale verkoop van een bestelauto voort te zetten en dat de auto aan hem wordt teruggegeven. De auto is in beslag genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel opgelegd aan [A.], die de vermeende eigenaar is volgens het vermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW Pro.
De Staat voert verweer dat het beslag rechtmatig is gelegd omdat onvoldoende is aangetoond dat de auto aan eiser toebehoort. Eiser stelt dat hij de auto op 1 juli 2011 van een derde heeft gekocht en dat het gebruik door [A.] een vriendendienst betreft. Echter, het gebruik van de auto door [A.] vond ook al vóór die datum plaats en persoonlijke documenten van [A.] werden in de auto aangetroffen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het vermoeden van eigendom bij [A.] niet voldoende is weerlegd door eiser. Registratie van het kenteken en verzekering op naam van eiser zijn niet doorslaggevend. Het beslag is daarom niet onrechtmatig en de vordering wordt afgewezen. Eiser wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag op de bestelauto wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij eigenaar is.