ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3944
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en maatschappelijke context bij belediging en haatzaaien tegen moslims
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het verspreiden van beledigende en haatzaaiende uitingen tegen moslims via e-mail in de periode van juli 2007 tot juli 2008. De tenlastelegging omvatte groepsbelediging, aanzetten tot haat en discriminatie, en openbaarmaking van beledigende uitlatingen.
Uit het bewijs bleek dat verdachte niet kon worden aangemerkt als afzender van alle uitingen; slechts enkele uitingen en e-mails waren op zijn computers aangetroffen. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en was niet aanwezig bij de inhoudelijke behandeling. De rechtbank nam aan dat verdachte de aantoonbare uitingen had verzonden, ondanks verklaringen dat anderen zijn computers gebruikten.
De rechtbank beoordeelde de inhoud van de uitingen in hun context en concludeerde dat deze niet zwaarder van aard waren dan vergelijkbare uitlatingen in het maatschappelijk debat, zoals die van Wilders, die niet tot veroordeling leidden. De uitingen waren weliswaar scherp en vergaand, maar werden gezien als onderdeel van een maatschappelijk debat over de Islam en immigratie. Daarom oordeelde de rechtbank dat de uitingen niet onder de strafbepalingen van artikelen 137c, 137d en 137e Sr vielen en sprak verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en omdat zijn uitingen niet strafbaar zijn binnen het maatschappelijk debat.